Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 september 1977

Alinea 16 Parket bij de Hoge Raad 14 september 1977

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 september 1977, ECLI:NL:PHR:1977:AX3189.

Bij de voorbereiding van de Wet op stichtingen zei de Memorie van toelichting (Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1953-1954 - 3463, no. 3, blz. 8, Artikel 1 , 2e al.): "De stichting wordt als een door een rechtshandeling in het leven te roepen rechtspersoon gekwalificeerd, om duidelijk tot uitdrukking te brengen, dat de handeling van oprichting der stichting - welke door één of meer personen kan worden verricht - is een eenzijdige, als zodanig niet-obligatoire handeling."; (blz. 9, linkerkolom, 2e al.) "De uiterste wil of de handeling onder de levenden, die .. artikel (3) voor het bestaan van een stichting vereist, moet uit de aard der zaak een geldige handeling zijn. Geen rechtspersoon zal dus ontstaan, wanneer de handeling door een onbekwame wordt verricht, door bedrog of dwang is tot stand gekomen". Tijdens de mondelinge behandeling zei Minister Donker (Handelingen, 1955-1956, blz. 2115, linkerkolom, 6e en 7e al.): "In overeenstemming met de eisen van het rechtsverkeer is het systeem zo opgezet, dat een in het leven geroepen stichting slechts bij uitzondering nietig is. Dit is het geval, als niet aan de in artikel 3 genoemde formele

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/700fdf2fa28f75e9c239e549d4acee4cc7e2c857b90b4de2ef850650effe6a99. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 700fdf2fa28f75e9c239e549d4acee4cc7e2c857b90b4de2ef850650effe6a99, en de alinea staat in dat document op bytes 10345 tot 11551.