Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 september 1977

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 14 september 1977

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 september 1977, ECLI:NL:PHR:1977:AX3189.

Zoals uit mijn hiervóór opgenomen beschrijving van de jurisprudentie blijkt, lees ik het laatstbedoelde arrest anders; naar het mij voorkomt, heeft Uw Raad, in dat arrest en op 9 juni 1976, BNB 1976/170 (gelijk Hof Amsterdam 9 december 1971, BNB 1972/238, en 's-Hertogenbosch 7 november 1975, BNB 1976/136) aangenomen, dat de omstreden vermogensbestanddelen civielrechtelijk juist niet in werkelijkheid aan de stichting waren overgedragen. Ik meen dan ook, dat voor de belastingheffing bij die civielrechtelijke werkelijkheid moet worden aangesloten. Indien een van de belastingplichtige onderscheiden rechtssubject is tot stand gekomen en aan dat subject is daadwerkelijk vermogen overgedragen, dan vormt die rechtstoestand de grondslag van de belastingheffing, tenzij bijzondere of algemene bepalingen van het belastingrecht (zoals art. 31 Algemene wet inzake rijksbelastingen - A.W.R. - ) anders voorschrijven dan wel dientengevolge doel en strekking van zulke bepalingen zouden worden gemist. In hoeverre van dit laatste sprake is, zal onderzocht worden bij de behandeling van het meer subsidiaire gedeelte van het middel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/700fdf2fa28f75e9c239e549d4acee4cc7e2c857b90b4de2ef850650effe6a99. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 700fdf2fa28f75e9c239e549d4acee4cc7e2c857b90b4de2ef850650effe6a99, en de alinea staat in dat document op bytes 24349 tot 25490.