Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 1978
Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 1978
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 1978, ECLI:NL:PHR:1978:4.
Het onderdeel stelt de vraag aan de orde of onder de woorden "de schadeloosstelling" - die naar luid van art. 61-oud in geval van terugvordering door de onteigende behoort te worden teruggegeven - moet worden verstaan het bedrag van de destijds ontvangen schadeloosstelling, dan wel het bedrag van de huidige waarde. Men kan die vraag herleiden tot die naar de rechtsgrond van genoemde bepaling. Verschaft art. 61 een recht om - achteraf - de toenmalige onteigening aan te tasten, of geeft het voorschrift een recht om zich - thans - tegen betaling het onteigende in eigendom te verschaffen, dus een soort wettelijke koopoptie? Natuurlijk kan men tegenwerpen dat in art. 61 beide elementen verenigd zijn, maar juist voor de onderhavige zaak is er, voor de bepaling van de grootte van het door de onteigende te geven geldsbedrag, een beslissend verschil: de destijds ontvangen schadeloosstelling of het equivalent van de huidige waarde? In verband hiermee is tevens van belang welke betekenis moet worden gehecht aan de woorden: "in evenredigheid met de terugontvangen waarde"; zijn die slechts van toepassing bij waardevermindering, of ook bij waardevermeerdering als gevolg van verbeteringen en andere oorzaken? Onbevangen lezing van de tekst van de wet stuurt de gedachten in de richting van het door het Hof gegeven antwoord: het gaat om teruggave van de schadeloosstelling - derhalve: van de destijds ontvangen schadeloosstelling - en niet om het "geven" van "(een) schadeloosstelling". De wetstekst indiceert dan ook een restitutio in integrum , een herstel in de vorige toestand, juist als bij een nietige koopovereenkomst: teruggave van de gekochte zaak tegen teruggave van de ontvangen prijs. Het geval doet dan ook denken aan een toepassing van de condictio indebiti: het ongedaan maken, terugdraaien, van de onteigening - gedacht als gedwongen verkoop - kan worden gezien als het toekennen aan partijen van een condictio indebiti jegens elkander, en die strekt primair niet tot teruggave van ontvangen waarde maar tot teruggave van het destijds (onverschuldigd) betaalde object in natura (Asser-Rutten III, 1975, p. 28; Hofmann-Drion-Wiersma, 1959, p. 20 e.v. ; Royer, prae-advies Broed.- Notarissen 1967, p. 61; H.R. 3 november 1961, N.J. 1962, 55 m.n. J.H.B.). Wat het middel, vanuit deze optiek, beoogt is aan de gemeentelijke onteigenaar niet een vordering uit onverschuldigde betaling maar een vordering uit ongegronde verrijking toe te kennen: de huidige waarde van het onteigende, die hoger is dan het destijds daarvoor ontvangen bedrag, zou moeten worden teruggegeven. Dat de onteigende, die het onteigende perceel terugkrijgt tegen betaling van niet meer dan het ca 20 jaren tevoren ontvangen nominale bedrag aan guldens, wordt verrijkt - alleen al door de geldontwaarding - valt niet te betwijfelen. Maar is die verrijking "ongegrond"? Het ten onzent voor alle geldschulden aangehangen en aan art. 2 Muntwet 1948 en art. 1793 B.W. ten grondslag liggende nominaliteitsbeginsel - "gulden is gulden" - vormt naar mijn mening reeds een toereikende grondslag voor de als gevolg van geldontwaarding ingetreden verrijking van de onteigende partij (vgl. Asser-Rutten II, 1975, p. 246-247, en Asser-Rutten I, 1973, P. 325-326; Royer, o.c. p. 30; H.R. 3 november 1961, voornoemd). Het risico van geldontwaarding is naar positief Nederlands recht voor de crediteur van de geldschuld, in casu de Gemeente. Dit geldt m.i. ook voor een verbintenis uit de wet als de onderhavige, ook al kan daarbij de crediteur zich, anders dan in geval van een overeenkomst, niet met een afwijkend beding tegen dat risico wapenen. Als tweede reden om de "verrijking" van de onteigende partij niet ongegrond te achten, noem ik de strekking van art. 61: bescherming van de onteigende partij tegen onnodige en voortijdige onteigening; vergelijke de reeds genoemde conclusie van Minkenhof voor H.R. 3 december 1965, N.J. 1966, 161. De onteigenaar, die door de onteigening en de daarin besloten "belegging" in onroerend goed het risico van geldontwaarding heeft afgewenteld op de onteigende partij, behoort in geval van toepassing van art. 61 Ow niet te blijven profiteren van de hem daardoor toegevallen voordelen (in dezelfde zin het vonnis van de Rechtbank in deze zaak, zie r.o. 5). Zo bezien resulteert die toepassing niet in een ongegronde "verrijking" van de onteigende, maar in het ongedaan maken van een achteraf als ongegrond te kwalificeren "verrijking" van de onteigenende partij.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/66648c3f06890cdf7e090ef49489a4a0d2590f8029f434a93a3e1166627b2f15. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 66648c3f06890cdf7e090ef49489a4a0d2590f8029f434a93a3e1166627b2f15, en de alinea staat in dat document op bytes 35366 tot 39969.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/66648c3f06890cdf7e090ef49489a4a0d2590f8029f434a93a3e1166627b2f15 | shasum -a 256