Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 mei 1978

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 19 mei 1978

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 mei 1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC6324.

De conclusie van antwoord in cassatie vermeldt wat verweerder in cassatie doet zeggen voor antwoord, vervolgens, welke ‘’incidentele middelen van cassatie’’ zij wenst aan te voeren, en, na de omschrijving der middelen welke zij wenst aan te voeren, de gronden waarop ‘’in het incidentele cassatieberoep’’ wordt geconcludeerd ‘’tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank, voor zover in reconventie gewezen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; kosten rechtens’’. Maar de verweerster van haar zijde in cassatie wensend te komen, had dit, volgens art. 410 lid 1 Rv. ook behoren te doen, op straffe van verval van het recht daartoe, bij haar conclusie van antwoord. Zij heeft dit bij deze conclusie echter niet gedaan: deze vermeldt niet dat zij in cassatie komt van het door de Rechtbank gewezen vonnis, hetzij voor zover gewezen in conventie, hetzij voor zover gewezen in reconventie. Derhalve ware te verstaan dat het recht van verweerster om harerzijds in cassatie te komen ingevolge art. 406 lid 1 Rv. is vervallen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa6e3ee4060edd393a01711a5c63de8fc155f29323254a1cb0c791c56825b0a0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa6e3ee4060edd393a01711a5c63de8fc155f29323254a1cb0c791c56825b0a0, en de alinea staat in dat document op bytes 14894 tot 15991.