Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978
Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC6325.
Het primaire middel (I) berust op het uitgangspunt, dat de in de eerder geciteerde rechtsoverweging 5 vermelde brief van Wibra aan [verweerder] d.d. 23 december 1975 niet anders kan worden verstaan dan als een mededeling aan [verweerder], dat Wibra afstand doet van het haar uit hoofde van de overeenkomst [verweerder]-Wibra jegens [verweerder] toekomende optierecht ten gunste van [eiser], die dat recht vervolgens in Wibra’s plaats zou kunnen uitoefenen. Deze motiveringsklacht beschouw ik als ongegrond. Het Hof kon als rechter die over de feiten oordeelt, de hier bedoelde brief uitleggen zoals weergegeven in r.o. 5 en 6, waarbij het Hof met de woorden “geen gebruik heeft gemaakt van” kennelijk heeft willen aangeven dat Wibra ook niet, gelijk de onderhavige klacht wil, afstand heeft gedaan van haar optierecht ten behoeve van [eiser]. Er is trouwens, naast die van het Hof en de door het middel voorgestane, nog een derde uitleg mogelijk en wel deze, dat Wibra door middel van de brief van 23 december 1975, zoals ook [verweerder] die had behoren te verstaan, juist wèl gebruik heeft gemaakt van haar eigen optierecht jegens [verweerder] en wel ter nakoming van haar verplichtingen jegens [eiser], die het hem als onderhuurder tegenover Wibra competerende optierecht had ingeroepen, om al het redelijkerwijs mogelijke te doen ten einde te bewerkstelligen dat [eiser] het perceel ook daadwerkelijk in eigendom zou kunnen verwerven. In deze visie heeft Wibra impliciet aan [verweerder] te kennen gegeven dat [verweerder] aan Wibra moet leveren opdat Wibra daarna zou kunnen doorleveren aan [eiser], en dat [verweerder] desgewenst deze omweg kan vervangen door rechtstreekse levering aan [eiser]. Deze derde interpretatie van Wibra’s brief - die min of meer aansluit bij het in het subsidiair middel onder B en C gestelde - schijnt mij zelfs de meest voor de hand liggende toe. Wat daar ook van zij, laatstomschreven uitleg is zeker plausibel genoeg voor afwijzing van de stelling, dat die brief niet anders kan worden verstaan dan zoals door het primaire middel verdedigd. Ook afgezien hiervan echter is ‘s Hofs - zij het jegens [eiser] niet zeer welwillende - uitleg als beslissing van feitelijke aard naar mijn mening met de tekst van de brief niet onverenigbaar en niet onbegrijpelijk; vergelijke over deze materie de noot van G.J. Scholten onder na te noemen arrest van 1 juli 1977. Voor de in het slot van het middel aangedrongen stelling dat het Hof gehouden was aan de brief de voor [eiser] meest gunstige interpretatie te geven, is m.i. in geen rechtsregel steun te vinden. Het door [eiser] in dit verband ingeroepen arrest van Uw Raad d.d. 1 juli 1977, NJ 1978, 125 (G.J.S.) betrof een beding in een contract tussen een “professionele” verkoper en een “niet professionele” koper, zijnde een geval waarmee de onderhavige casus - een eenzijdige wilsuiting (brief) van de hoofdhuurder aan de hoofdverhuurder over een aangelegenheid waarbij ook de belangen van de onderhuurder waren betrokken, zonder dat de wederzijdse onderlinge relaties kunnen worden getypeerd in termen van “professioneel” of “niet professioneel” - naar mijn mening niet gelijk gesteld kan worden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8fe96e99cd9237fabd38f177301480aae505b747738397c6c6cccee0a5ae4752. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8fe96e99cd9237fabd38f177301480aae505b747738397c6c6cccee0a5ae4752, en de alinea staat in dat document op bytes 8317 tot 11612.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8fe96e99cd9237fabd38f177301480aae505b747738397c6c6cccee0a5ae4752 | shasum -a 256