Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC6325.

Het komt mij voor dat art. 1376 B.W. in het onderhavige geval aan doorwerking van de koopoptie Wibra-[eiser] jegens [verweerder] inderdaad in de weg staat en dat die wetsbepaling in casu geen uitzondering lijdt. Het geciteerde arrest van 7 maart 1969 betrof een ander geval, t.w. een exoneratieclausule in de overeenkomst De K.-De R.; de vraag was of N. die clausule “tegenover zich zal moeten laten gelden” als verweer tegen een op art. 1401 B.W. gebaseerde vordering tot schadevergoeding, ingesteld tegen R. De positieve beantwoording van die vraag berust op de gedachte dat de posities van N. en De K. jegens R., voor wat eventuele schadeclaims betreft, rechtens behoren te worden geidentificeerd (Abas, W.P.N.R. 5282, jrg. 1974 p. 731, en Hofmann-Abas, “Het Ned. verbintenissenrecht”, deel 1 tweede gedeelte - 1977 - p. 291). In zo’n geval moet de gedaagde C het verweer dat zijn contract met B hem verschaft, ook kunnen tegenwerpen aan A met wie hij, C, niet heeft gecontracteerd. Hetzelfde kan gelden in een verwante paardesprong-casus, nl. wanneer C zich tegenover A beroept op een verweer waarover B, A’s mede-contractant, jegens A beschikt (vgl. Royer’s oratie “Een paardesprong in het privaatrecht”, 1964, alsmede zijn bijdrage in “Scheepsraad” - 1973 - p. 119–132, met name p. 124). De hier bedoelde identificatie van A en B bewerkstelligt dat kortsluiting in de onderlinge verhoudingen (zie Cahen, “Kortsluiting in contractuele verhoudingen”, R.M. Themis 1965 p. 473–507, waarover Abas in Hofmann-Abas, a.w., p. 287–289) wordt voorkomen. Uw Raad heeft de, tot blokkering van de paardesprong strekkende, doorwerking van een contractueel beding in 1969 niet in algemene zin erkend, doch slechts de mogelijkheid daartoe geopend in geval van een exoneratieclausule onder de zich daarbij in concreto voordoende omstandigheden. Het in dit verband vaak genoemde “Moffenkit”-arrest (H.R. 25 maart 1966, NJ 1966, 279 , m.n. G.J.S.) oordeelt dat het in art. 1376 B.W. uitgedrukte beginsel “... geen uitzondering lijdt voor het geval dat ...”. Dit betekent dat het arrest zich over mogelijke uitzonderingen in andere gevallen in het geheel niet uitspreekt, noch in verbiedende noch in veroorlovende zin. Mits aldus verstaan onderschrijf ik Scholtens opmerking, dat de Hoge Raad voor uitzonderingen elders wel “plaats laat”. Art. 6.5.3.8a N.B.W. erkent eveneens doorwerking voor een speciaal geval, nl. dat van de door A aangesproken werknemer C van A’s contractuele wederpartij B; C kan zich bedienen van het op het contract A–B gebaseerde verweermiddel van B, “als ware hijzelf (nl. C; F.) bij de overeenkomst partij”. Men zie over de derdenwerking van exoneratieclausules ook: H. Drion, preadvies N.J.V. 1957 p. 254 e.v.; Aubel, “En passant de tweede hand”, 1972; S.C.J.J. Kortman, “ ‘Derden’-werking van aansprakelijkheidsbedingen”, 1977; en de verdere door pleiter voor [eiser] genoemde litteratuur, die voor het merendeel te vinden is bij Hofmann-Abas, a.w., p. 291, noot 2. Blijkens de M.v.A. op Boek 6 N.B.W., p. 212–213, wil het nieuwe B.W. verdere ontwikkelingen op het gebied van door- of derdenwerking niet afsnijden. De M.v.A. verwijst in dit verband naar drie arresten van de Hoge Raad: 3 mei 1946, N.J. 1946, 323: wanprestatie tegenover de medecontrantant kan een onrechtmatige daad zijn tegenover een derde; 26 juni 1964, N.J. 1965, 170: het profiteren door C van de wanprestatie, nl. het zich niet houden aan een kettingbeding, door B of “door derden in een eerder stadium” van de verkoopsketen gepleegd jegens A, kan een onrechtmatige daad opleveren tegenover A; en 7 maart 1969, N.J. 1969, 249 eerdergenoemd. Strikt genomen was in de beide eerstgenoemde arresten geen directe uitzondering op art. 1376 B.W. aanwezig; C is niet als contractant gebonden aan het contract A–B of aan het daarvan deel uitmakende kettingbeding, hij pleegt jegens A geen wanprestatie maar profiteert van andermans wanprestatie en pleegt daardoor - in de door de Hoge Raad aanwezig geoordeelde omstandigheden van het geval - een onrechtmatige daad jegens A: indirecte derdenwerking.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8fe96e99cd9237fabd38f177301480aae505b747738397c6c6cccee0a5ae4752. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8fe96e99cd9237fabd38f177301480aae505b747738397c6c6cccee0a5ae4752, en de alinea staat in dat document op bytes 15069 tot 19307.