Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC6325.

Wat [eiser] met zijn tweede cassatiemiddel beoogt is directe derdenwerking van de koopoptie. Ik meen dat die naar thans geldend recht behoort te worden afgewezen. Het moge zo zijn dat de koopoptie [eiser]-Wibra slechts zin heeft wanneer Wibra in staat is - of zal zijn - hetzij zelf aan [eiser] te leveren hetzij te bewerkstelligen dat [verweerder] aan [eiser] levert, waartoe nodig is dat Wibra zelf de eigendom van het perceel verkrijgt respectievelijk van [verweerder] kan vergen dat deze aan [eiser] eigendom verschaft. Met het oog op de eerstgenoemde methode (eigendomsverkrijging door Wibra) is dan ook de koopoptie die Wibra zich jegens [verweerder] heeft bedongen, zinvol zoal niet onmisbaar. In zoverre vooronderstelt de koopoptie [eiser]-Wibra dat [verweerder] “contractueel betrokken derde” (Cahen) is. Dat brengt echter nog niet mee, naar mijn mening ook niet onder de door het middel onder A tot en M met F opgesomde omstandigheden, dat [verweerder] door die koopoptie rechtstreeks gebonden is, anders gezegd: dat [eiser] door die koopoptie de niet-contractant [verweerder] tot debiteur krijgt in plaats van Wibra. Het doen gelden van een contractuele aanspraak tegen een derde (nl. een ander dan de contractant-debiteur) mag, voor de toepasselijkheid van art. 1376 B.W., niet gelijk gesteld wordt met het doen gelden van een exoneratieclausule als verweer tegen een derde (nl. een ander dan de contractant-debiteur). Rechtsbescherming voor de “verdediger” brengt niet zonder meer mee rechtsbescherming voor de “aanvaller”. Larenz (a.w., p. 189) wijst werking van een contractueel beding ten laste van een derde zonder diens toestemming, categorisch af. De drie bij de onderhavige casus betrokkenen ([verweerder], Wibra en [eiser]) hebben hun onderlinge rechtsbetrekkingen op zodanige wijze georganiseerd, dat ook zonder doorwerking van de koopoptie [eiser]-Wibra kortsluiting niet behoeft op te treden. Er is immers ook in de relatie Wibra-[verweerder] een koopoptie ingebouwd. Indien Wibra zich tegenover [verweerder] op die optie had beroepen, was de weg vrij geweest voor realisering van de optie van [eiser]. Nu dit zo ligt en bovendien [verweerder], naar het Hof feitelijk heeft vastgesteld, geen optie aan [eiser] heeft verleend en ook van schuldoverneming door [verweerder] van Wibra’s optieverplichting jegens [eiser] geen sprake is, bestaat voor derdenwerking van de optie [eiser]-Wibra naar mijn inzicht geen deugdelijke grond, ook niet in de eisen van de goede trouw of de redelijkheid. Uitgangspunt moet blijven dat de crediteur ([eiser]) buiten de in de wet bepaaldelijk voorziene gevallen (vgl. art. 1618 B.W.) geen rechtstreekse actie (“action oblique”) tegen de debiteur ([verweerder]) van zijn debiteur (Wibra) heeft; vergelijke Asser-Van Oven, “Zakenrecht”, bijzonder deel, tweede stuk - 1967 - p. 45. Ook bij kettingbeding, waarvan de onderhavige opties als het ware een spiegelbeeld vormen, kan de eerste crediteur A niet rechtstreeks tegen een latere debiteur (C of D of E, enz.) optreden anders dan met een actie uit art. 1401 B.W. (de eerder vermelde indirecte doorwerking); of A van de ketting zelf kan profiteren hangt af van de zwakste schakel. Misschien is onder omstandigheden denkbaar dat, naar analogie met het kettingbeding, [eiser] rechtstreeks tegen [verweerder] kan ageren uit onrechtmatige daad wegens het niet gestand doen van de koopoptie door de tussenpersoon Wibra en het profiteren daarvan door [verweerder], maar dan zouden ettelijke andere, door [eiser] in dit geding niet gestelde feiten vast moeten komen te staan. Van directe derdenwerking van de koopoptie zou dan trouwens evenmin sprake zijn. De gevolgen van het zich niet beroepen door Wibra op de optie [verweerder]-Wibra behoren voor rekening van [eiser] en Wibra te blijven, althans niet voor rekening van [verweerder] te komen. Aan een en ander doet niet af dat het Hof het bestreden arrest, gelijk het middel onder F aanvoert, het onderscheid tussen de contractsbanden [verweerder]-Wibra en Wibra-[eiser] “niet volhoudt”, d.w.z. de inhoud van de eerste koopoptie mede bepalend acht voor de inhoud van de andere; dit staat immers geheel los van de voor dit geding beslissende vraag wie aan die opties gebonden zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8fe96e99cd9237fabd38f177301480aae505b747738397c6c6cccee0a5ae4752. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8fe96e99cd9237fabd38f177301480aae505b747738397c6c6cccee0a5ae4752, en de alinea staat in dat document op bytes 19356 tot 23740.