Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978
Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC6325.
Naast dit alles is een bijzondere kenmerk van het onderhavige geval van belang. [eiser] neemt tegenover [verweerder] de positie in van onderhuurder. Hij, [eiser], heeft recht op genot van het gehuurde, maar dat recht heeft hij uitsluitend - afgezien van genotsstoornis enz. - tegenover zijn onderverhuurder Wibra en niet tegenover de hoofdverhuurder [verweerder] (v.d. Heuvel, “Huurrecht”, aant. 2–4 ad art. 1595 B.W.). In zoverre is er dan ook van door- of derdenwerking van de meest essentiële huurdersbevoegdheid, nl. het recht op het genot van het gehuurde, geen sprake. Waarom zou het aan de huurovereenkomst gekoppelde accessoire optierecht sterker zin zijn in die zin, dat daaraan wèl werking jegens de hoofdverhuurder zou toekomen? De ten pleidooie verdedigde stelling van [eiser], dat de optie zo nauw samenhangt met de positie van huurder van het perceel als bedrijfs pand “dat de verbintenis geacht moet worden mede te zijn bedongen voor de opvolgers in het bedrijf (of voor opvolgende huurders ten aanzien van het pand)” (pleitnota Mr. Van Schellen p. 13), moet naar mijn mening om verschillende redenen vastlopen. In de eerste plaats introduceert deze stelling, die blijkbaar in de contractuele relatie tussen Wibra en [verweerder] een beding ten behoeve van [eiser] (als “opvolger”) besloten acht, een geheel nieuwe klacht die ik in de cassatiemiddelen zelf niet heb kunnen lezen. En in de tweede plaats mist de stelling feitelijke grondslag in het bestreden arrest en in de stukken van het geding, waarin omtrent de door de stelling ingeroepen nauwe samenhang niets is vastgesteld. In dit verband moge ik voorts opmerken dat zodanige nauwe samenhang tussen huur van bedrijfsruimte en koopoptie geenzins uit de aard der zaak gegeven is. Ook is uit de stukken van het geding of uit het arrest van het Hof niet af te leiden, dat Wibra in enig relevant opzicht zou mogen gelden als vertegenwoordiger van [verweerder]. Tenslotte teken ik aan dat de wet voor huuroverdracht aan een nieuwe huurder van de bedrijfsruimte een speciale rechtsgang biedt in art. 1635 B.W., dat de mogelijkheid opent voor indeplaatsstelling, waarvan in het onderhavige geval echter geen sprake is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8fe96e99cd9237fabd38f177301480aae505b747738397c6c6cccee0a5ae4752. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8fe96e99cd9237fabd38f177301480aae505b747738397c6c6cccee0a5ae4752, en de alinea staat in dat document op bytes 23789 tot 26038.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8fe96e99cd9237fabd38f177301480aae505b747738397c6c6cccee0a5ae4752 | shasum -a 256