Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 april 1978

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 12 april 1978

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 april 1978, ECLI:NL:PHR:1978:AM4447.

Weliswaar merkt de Staatssecretaris in zijn vertoogschrift in cassatie, blz. 2, ‘’op, dat het eventueel honoreren van een beroep op de bovengenoemde resolutie zou afstuiten op het gestelde in lid 5, tweede volzin van de ..... brief aan de Broederschap der Notarissen, aangezien hetgeen naar 's Hofs oordeel als onderneming voor de erflater gold, voor hem niet als hoofdzakelijk middel van bestaan ten dienste stond'', maar deze opmerking kan in cassatie evenmin tot toetsing van 's Hofs overweging leiden als hetgeen de belanghebbende in grief 2 aanvoerde. Ik moge kortheidshalve verwijzen naar hetgeen ik met betrekking tot die grief naar voren bracht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db760e48db52f39e84a4ef4d9b77f05babe1794a1e1ebe251b1d641654cf486b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db760e48db52f39e84a4ef4d9b77f05babe1794a1e1ebe251b1d641654cf486b, en de alinea staat in dat document op bytes 14383 tot 15054.