Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 oktober 1979
Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 5 oktober 1979
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 oktober 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AB7340.
De vraag, welke schade moet worden beschouwd als te zijn veroorzaakt door een onrechtmatige daad, heeft reeds tot zeer veel rechtspraak en literatuur aanleiding gegeven. Ik moge volstaan met een verwijzing naar de recente publicatie van G.H.A. Schut in RM Themis 1978, p. 380-403, waarin de belangrijkste arresten van Uw Raad en verdere literatuur worden genoemd. Schut gaat met name in op art. 6. 1.9.4 NBW, luidende: "Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend." Hierdoor is de in het voorontwerp nog gevolgde leer van de adaequate veroorzaking vervangen door die van de (redelijke) toerekening (geïnspireerd door Köster en Bloembergen), waarin de voorzienbaarheid van de van de schade niet meer de enige en alles beheersende maatstaf is. De toerekening hangt mede, of mogelijk uitsluitend, af van andere omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang zijn de aard van de aansprakelijkheid en van de schade. Het is daarom nuttig de gevallen van aansprakelijkheid en schade te groeperen in categorieën waarvoor dan min of meer algemeen geldende regels kunnen worden ontwikkeld. De recente arresten van de Hoge Raad betreffen voor het merendeel ongevallen waarbij auto's betrokken zijn: aanrijdingen e.d. (zie Schut, a.w., p. 381). Ik acht het niet aannemelijk dat Uw Raad, na in die zaken voor de toerekeningsleer te hebben geopteerd (een duidelijk voorbeeld is na te noemen arrest van 1 juli 1977), thans zou terugkeren tot de leer der "zuivere" adequate veroorzaking, ook al is het onderhavige geval er een van een type dat zich sedert HR 20 maart 1970, NJ 1970, 251 (G.J.S. ) - "Waterwin- gebied"-arrest, de eerste uitspraak waarin de toerekeningsgedachte werd toegepast - nog niet heeft voorgedaan. Vergelijke over de verhouding tussen de beide leren de noten onder HR 1 juli 1977, nl. van G.J. Scholten in NJ 1978, 84 en van W.C.L. van der Grinten in Ars Aequi 1978 p. 451-454. In de onderhavige zaak heeft het Hof in zijn eindvonnis vastgesteld, dat de ontruimende deurwaarder een gedeelte van de drankvoorraad (r.o. 3) en de inventaris (r.o. 6 en 7) op het [a-straat 1] heeft geplaatst, dat het toegestroomde publiek zich vervolgens aan de drankvoorraad heeft vergrepen (r.o. 3) en dat [verweerder] een groot gedeelte van de inventaris op een zgn. pick-up heeft geladen en naar het in de nabijheid gelegen Rif-fort, in de omgeving van de politiepost aldaar, heeft vervoerd, waar het de volgende dag bleek te zijn verdwenen (r.o. 6 en 7). Ten aanzien van "de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust" (art. 6. 1.9.4) zij opgemerkt, dat de ontruiming op het moment dat hij werd uitgevoerd, berustte op een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis en in die zin toen niet onrechtmatig was, maar achteraf - nl. na vernietiging van dat vonnis - is gebleken onrechtmatig te zijn geweest. Onder deze omstandigheden geldt voor de aansprakelijkheidsvraag m.i. het causaliteitscriterium dat wordt aangehouden voor de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, daargelaten of die ontruiming in alle opzichten onder de kwalifikatie "onrechtmatige daad" kan worden gebracht. Dit zou misschien anders kunnen zijn indien ten tijde van de ontruiming in het algemeen niet voorzienbaar was dat het vonnis krachtens hetwelk werd ontruimd, zou worden vernietigd. Dat kan echter in het onderhavige geval niet als uitgangspunt worden aanvaard: de executerende crediteur moet er rekening mee houden dat zijn titel in hoger beroep kan worden vernietigd en in de onderhavige zaak waarin de vernietiging door de appèlrechter op de dag van de ontruiming werd uitgesproken, moet worden aangenomen dat [verzoeker] toen hij opdracht tot ontruiming gaf, minstgenomen wist dat [verweerder] hoger beroep had ingesteld. De vernietiging was voor [verzoeker] dan ook als reële mogelijkheid voorzienbaar. Ik verwijs wederom naar de reeds vermelde vindplaatsen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a22e8bdfa6ae2b8235f2dc81ec9eb8d9466e078fbbaeab8e43d568f5a1729ba9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a22e8bdfa6ae2b8235f2dc81ec9eb8d9466e078fbbaeab8e43d568f5a1729ba9, en de alinea staat in dat document op bytes 13327 tot 17491.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a22e8bdfa6ae2b8235f2dc81ec9eb8d9466e078fbbaeab8e43d568f5a1729ba9 | shasum -a 256