Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 september 1979

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 11 september 1979

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 september 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AB7429.

In het midden latend wat de waardering zou moeten zijn van de als bewijsmiddelen gebruikte getuigenverklaringen van personen die de veroordeelden tot verboden gedrag hebben gebracht, meen ik dat het hof in de gegeven omstandigheden de getuigenverklaringen als wettige bewijsmiddelen kon bezigen. Het optreden van de infiltranten omvatte waarschijnlijk wel onwettig gedrag, nl. uitlokken of medeplegen van strafbare feiten in de zin van de Opiumwet, maar zij waren niet onrechtmatig tegenover de veroordeelde. Bij oplegging van een bloedproef zonder wettelijke verplichting of bij binnendringen van de woning van een verdachte zonder inachtneming van de wettelijke voorschriften — standaardvoorbeelden van onrechtmatig verkregen bewijs — is ten opzichte van de verdachte onrechtmatig gehandeld. Naar analogie van de civielrechtelijke rechtspraak over onrechtmatige daad meen ik dat een soort ‘’Schutznorm’’ vereiste moet worden ingebouwd. Is er bij het verkrijgen van het bewijs een regel overtreden, die strekte tot bescherming van de verdachte? Zo nee, dan is het bewijsmateriaal niet onrechtmatig verkregen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b1fb4fa7506ca99de9f7334f2d66b22d7abe004a0baba4a84afbf5ebb970c0af. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b1fb4fa7506ca99de9f7334f2d66b22d7abe004a0baba4a84afbf5ebb970c0af, en de alinea staat in dat document op bytes 15872 tot 17007.