Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 december 1979
Alinea 10 Parket bij de Hoge Raad 7 december 1979
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 december 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AC0076.
Onderdeel a keert zich tegen de verwerping door het hof van de eerste appèlgrief, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat tussen partijen een koopovereenkomst is tot stand gekomen. Volgens het onderdeel zou het hof ten onrechte de stelling van [eiser], dat hij slechts een geclausuleerd, voorwaardelijk aanbod tot verkoop had gedaan - nl. onder de voorwaarde dat het pand zou worden gesloopt - en dat er tussen partijen een misverstand heeft bestaan, buiten beschouwing hebben gelaten bij de beantwoording van de vraag of tussen partijen wilsovereenstemming over de verkoop tot stand is gekomen. Reeds in eerste instantie heeft [eiser] zich beroepen op het voorwaardelijk karakter van zijn aanbod. Hij voerde in dit verband aan dat de namens de Gemeente optredende ambtenaar [betrokkene 1] hem had gezegd dat het ondertekenen van de akte dd 3 juli 1970 noch de Gemeente noch hem, [eiser], definitief bond (conclusie van antwoord p. 3 onder 4, c.v. dupliek p. 7; pleitnota p. 5-6). Dat de voorwaarde waaronder [eiser] zich als gebonden beschouwde, inhield het doorgaan van de sloop overeenkomstig de bestaande plannen van de Gemeente met betrekking tot de bebouwing rond het Oranjeplein, is door [eiser] voor het eerst in hoger beroep aangevoerd: memorie van grieven p. 6; pleitnota p. 6. Blijkens de hier vermelde stellingen van [eiser] heeft [betrokkene 1] hem dat niet zo letterlijk meegedeeld; laatstgenoemde heeft slechts gezegd dat de koop "niet definitief" was en [eiser] heeft daaruit de conclusie getrokken dat de koop zou vervallen indien de sloop niet zou doorgaan. Als ik het goed zie heeft het hof deze stellingen van [eiser] geenszins buiten beschouwing gelaten, weshalve de onderhavige klacht feitelijke grondslag mist. Het hof heeft, overwegende: "Indien zulks zou komen vast te staan .... dan kon [eiser] daaruit ten hoogste de conlusie trekken dat hij zijn aanbod kon intrekken zolang het niet was geaccepteerd, maar niet dat het niet meer van kracht zou zijn als de Gemeente haar plannen met betrekking tot de bebouwing van het Oranjeplein en omstreken zou wijzigen", geoordeeld dat [eiser] de door hem ingeroepen conclusie niet heeft "kunnen" trekken. Aldus heeft het hof tot uiting gebracht dat de geciteerde woorden "niet definitief" in de gegeven omstandigheden van het geval niet voor misverstand vatbaar waren en dat [eiser] aan die woorden redelijkerwijs niet de zin mocht toekennen van: "onder voorbehoud (voorwaarde) van het doorgaan van de sloop". Mocht deze uitlegging van 's hofs arrest onjuist zijn in dier voege, dat het hof misverstand niet heeft willen uitsluiten, dan geldt m.i. dat naar 's hofs oordeel de enige voor de hand liggende betekenis van de woorden "niet definitief" was dat het aanbod niet bindend was, immers kon worden ingetrokken zolang het niet was geaccepteerd. M.i. heeft het hof, in die veronderstelling, HR 17 december 1976, NJ 1977, 241 (G.J.S.), A.A. oktober 1977, p. 654 (P. van Schilfgaarde), het "misverstand"-arrest, gevolgd. De toepassing die het hof - alsdan - aan de misverstand-regels van dat arrest (voor zover het regels zijn, zie Scholtens noot onder 5) heeft gegeven, is naar mijn mening juist. De mededeling van [betrokkene 1] dat de affaire "niet definitief" was, is door hem blijkbaar niet toegelicht. De vraag is in welke zin [eiser] die mededeling in de gegeven omstandigheden heeft mogen opvatten en wat de Gemeente (c.q.[betrokkene 1]) uit [eiser] "verklaringen en gedragingen" naar aanleiding van de woorden "niet definitief" heeft mogen (moeten) afleiden. Welnu, wat het eerste betreft, het ligt toch het meest voor de hand, ook voor een leek als [eiser], vooral te rade te gaan bij de bewoordingen van de schriftelijke akte (prod. bij c.v. antwoord in prima) zelf. Die akte biedt geen enkele steun aan [eiser] interpretatie van de woorden "niet definitief", maar is ingekleed als een - niet onherroepelijke - "aanbieding" van [eiser] die slechts tot een perfecte koopovereenkomst zal kunnen leiden indien de Gemeente vòòr 31 december 1970 door middel van een raadsbesluit beslist tot koop over te gaan. Als ik het goed zie is ook het hof hiervan uitgegaan. Dat betekent dat 's hofs beantwoording van de vraag, welke conclusie [eiser] uit de woorden "niet definitief" kon trekken, verweven is met feitelijke elementen zoals de uitlegging van de akte en daarom, als niet onbegrijpelijk, in cassatie niet op haar juistheid kan worden getoetst. Wat het tweede punt betreft, het hof heeft kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag gelegd - en mocht, nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, aan zijn beslissing ten grondslag leggen zonder dat met zoveel woorden te zeggen - dat [betrokkene 1] uit [eiser] (reactie(s) op de woorden "niet definitief" niet heeft afgeleid noch heeft behoren af te leiden, dat die woorden bij [eiser] de gedachte deden postvatten dat de koopovereenkomst zou vervallen bij niet-doorgaan van de sloop. Ten aanzien van de vraag of genoemd misverstand-arrest van Uw Raad in overeenstemming is met art. 3.2.2 NBW, moge ik verwijzen naar de noten van Scholten (onder 2) en Van Schilfgaarde (onder 3). Vergelijke voorts de losbladige uitgave "Contractenrecht" II nrs 105 e.v. en de aldaar vermelde rechtspraak en literatuur.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eeb38549daa9cfda6dc0d85de8b5ef1c3b1806f99075fe4ef414d3afbecb18f9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eeb38549daa9cfda6dc0d85de8b5ef1c3b1806f99075fe4ef414d3afbecb18f9, en de alinea staat in dat document op bytes 5216 tot 10527.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eeb38549daa9cfda6dc0d85de8b5ef1c3b1806f99075fe4ef414d3afbecb18f9 | shasum -a 256