Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 december 1979

Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 7 december 1979

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 december 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AC0076.

Naar ik meen is onderdeel d voor zover het de reeds gegrond bevonden klacht van onderdeel b herformuleert, eveneens gegrond. Voorts roept onderdeel d analogie met art. 61 Onteigeningswet in. Dat beroep is door het hof impliciet verworpen in de rechtsoverwegingen die onmiddellijk volgen op de in de aanvang van de bespreking van onderdeel c geciteerde passages uit 's hofs arrest. Het standpunt van het hof dat art. 61 voornoemd ten deze niet analogisch toepasselijk is, lijkt mij juist. De ratio van die wetsbepaling is, de onteigende te beschermen tegen onnodige en voortijdige onteigening, zie NJO 1978 p. 16 rechts. Daarvan is geen sprake bij "minnelijke onteigening", d.w.z. vrijwillige verkoop door de eigenaar aan de zich als a.s. onteigenaar presenterende instantie, met het oog op diens bestaande voornemens tot onteigening. De verkoper bij minnelijke onteigening wil een procedure voorkomen en contracteert om die reden vrijwillig met de wederpartij. De zodoende tot stand gekomen verkoopovereenkomst heeft als zodanig geen bijzondere kenmerken en is slechts aantastbaar met de voor koopovereenkomsten in het algemeen door de wet aangereikte wapens, zoals die van de wilsgebreken. Een extra "rechtsmiddel" in de vorm van analogische toepassing van art.61 OW., zou daarbij m.i. niet aanpassen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eeb38549daa9cfda6dc0d85de8b5ef1c3b1806f99075fe4ef414d3afbecb18f9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eeb38549daa9cfda6dc0d85de8b5ef1c3b1806f99075fe4ef414d3afbecb18f9, en de alinea staat in dat document op bytes 20390 tot 21743.