Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 december 1979

Alinea 64 Parket bij de Hoge Raad 12 december 1979

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 december 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AX0249.

Het zojuist onder 5, letter b, besproken vereiste van de kenbaarheid van de fout heeft ook betekenis voor de werking van art. 16, lid 2, A.W.R. De materieel juiste belastingheffing moet namelijk ook bij toepassing van art. 16, lid 2, A.W.R. wijken voor (H.R. 22 juni 1977, BNB 1977/284, en 7 september 1977/286, beide met noot Hofstra) "door de fiscus bij het regelen van de primitieve aanslag opgewekt vertrouwen waarop belanghebbende zich tegenover hem in redelijkheid mag beroepen" (zie voorts Hof Leeuwarden 16 juni 1978, nr. 845/77, V .- N. 11 november 1978, punt 5; verg. ook H.R. 6 april 1977, BNB 1977/123 met noot Scheltens). Ook hier gaat het derhalve om het vertrouwen, dat de aangeslagene zelf heeft ontleend en heeft mogen ontlenen aan het aanslagbiljet en zal naar omstandigheden moeten worden beoordeeld, in hoeverre daarbij het inzicht van een eventuele gemachtigde mede in aanmerking moet worden genomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee0853800f7f7b76f5e17caf13e2f18f2c8c05c240ad0f73f81e0cd21becf9c5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee0853800f7f7b76f5e17caf13e2f18f2c8c05c240ad0f73f81e0cd21becf9c5, en de alinea staat in dat document op bytes 33879 tot 34813.