Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 1979
Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 1979
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AX2764.
H.R. 10 april 1957, BNB 1957/177, overwoog inzake uitkeringen van vaste maandelijkse bedragen, eindigend na 4 maanden dan wel bij het eerdere overlijden van de eerststervende van 3 personen, "dat dit bijkomend beding aan de ... uitkeringen het karakter van periodieke uitkeringen in den zin van art. 16, eerste lid, onder 2°, letter b, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 slechts had kunnen verlenen, indien dit voor de verplichtingen, welke belanghebbende ... op zich nam, van wezenlijke betekenis zou zijn geweest; dat de Raad van Beroep terecht heeft beslist, dat gezien de uiterst geringe onzekerheid omtrent het in totaal verschuldigde bedrag der uitkeringen - tot uitdrukking komende in het uiterst geringe verschil tussen de premie bij verzekering van dergelijke uitkeringen met die voor soortgelijke, maar van geen enkel leven afhankelijk gestelde uitkeringen - zodanige betekenis aan dat beding in het onderhavige geval niet kan worden toegekend" (zie ook H.R. 2 oktober 1957, BNB 1957/291, alsmede H.R. 27 november 1963, BNB 1964/93 met noot Van Dijck, waarin het tegengestelde van periodieke uitkeringen wordt aangeduid als "betalingen (strekkend) tot aflossing van een door belanghebbende .... verschuldigde hoofdsom"; verg. voorts H.R. 13 juni 1956, BNB 1956/239 met noot H.J. Hofstra). H.R. 3 mei 1967, BNB 1967/169 met noot Hollander, V.- N. 1 juni 1967, punt 6, FED, IB:Art. 31:147 met noot F. van Brunschot, W.F.R. 4876 d.d. 30 november 1967, jaargang 96, blz. 992 met noot W. Scholten, W.P.N.R. 5030 d.d. 1 maart 1969, jaargang 100, blz. 102 met mijn noot, overwoog, "dat ..... , indien .... een schuldeiser met zijn schuldenaar is overeengekomen, dat deze hem gedurende een bepaalde tijd jaarlijks een wisselend bedrag zal betalen, afhankelijk van de gang van zaken in des schuldenaars bedrijf - in dit geval van de jaarlijkse bruto-opbrengst van het bedrijf - en dat dit bedrag telken jare tot een bepaald beloop zal gelden als aflossing op de schuld en, zo het meer mocht bedragen, in zoverre als een aan de schuldeiser toekomend winstaandeel, slechts zulk een overschot valt aan te merken als een periodieke uitkering, die als opbrengst van roerend kapitaal behoort tot des schuldeisers inkomen, doch het tot periodieke aflossing van de bestaande schuld strekkende bedrag daarvan geen deel uitmaakt; dat hieraan niet afdoet, dat te dezen (de schuldeiser), voor het geval na de betaling per 15 februari 1971 nog een vordering ..... mocht resteren, reeds bij de overeenkomst aan (de schuldenaar) finale kwijting heeft verleend, derhalve kwijtschelding van een alsdan mogelijk nog onvoldaan restant van zijn vordering" (zie ook Hof 's-Hertogenbosch 23 juni 1967, BNB 1968/202).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e3236deb04f54a9bcc8c2ae4c4e4f2ca25fd34d261dbf6bd01e32e580b144017. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e3236deb04f54a9bcc8c2ae4c4e4f2ca25fd34d261dbf6bd01e32e580b144017, en de alinea staat in dat document op bytes 21134 tot 23854.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e3236deb04f54a9bcc8c2ae4c4e4f2ca25fd34d261dbf6bd01e32e580b144017 | shasum -a 256