Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 1979

Alinea 49 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 1979

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AX2764.

Onder vigeur van de geciteerde bepaling besliste H.R. 15 januari 1947, B. 8262, met betrekking tot een onvolwaardige vordering die de belanghebbende in 1935 verkregen had in de plaats van zijn aanspraak op pensioen, dat een afbetaling op die vordering in 1941 tot het in 1941 genoten inkomen behoorde (verg. ook Raad van beroep Amsterdam 18 januari 1945, B. 8178). Bij toekenning van een lijfrente door een naamloze vennootschap aan een aandeelhouder werd art. 36, lid 1, I.B. '41 niet van toepassing geoordeeld en kwam dus ook art. 36, lid 2, I.B. '41 niet aan de orde (H.R. 19 maart 1952, B. 9204; implicite in gelijke zin H.R. 6 december 1945, B. 8007). Als stamrecht werd aangemerkt een recht op maandelijkse uitkeringen, afhankelijk van het bedrag van de inkopen gedurende een periode van 62 maand, tot een bepaald maximum (H.R. 12 november 1947, B. 8416), alsmede een verzekerd kapitaal dat uiteindelijk niet anders dan periodieke opbrengsten kan opleveren (H.R. 5 november 1958, BNB 1958/353 met noot Van Dijck; 25 oktober 1961, BNB 1962/1 met noot Van Dijck; 1 juli 1964, BNB 1964/270 met noot Den Boer).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e3236deb04f54a9bcc8c2ae4c4e4f2ca25fd34d261dbf6bd01e32e580b144017. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e3236deb04f54a9bcc8c2ae4c4e4f2ca25fd34d261dbf6bd01e32e580b144017, en de alinea staat in dat document op bytes 35875 tot 37000.