Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 juni 1981

Alinea 10 Parket bij de Hoge Raad 9 juni 1981

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 juni 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AC0902.

In middel I klaagt requirant erover, dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet het opzet (op de dood) bewezen heeft kunnen achten. Het komt mij voor, dat zulks wel het geval is, omdat, wie een ander met een mes steekt redelijkerwijze zal hebben beseft, dat de dood van het slachtoffer dan geredelijk kan volgen. Vgl. 12 mei 1964, NJ 1965, no. 12. Zulks is alleen anders, indien bij de dader elk inzicht in de draagwijdte van zo'n gedraging en de mogelijke gevolgen daarvan zou ontbreken. Vgl. HR 22 juli 1963, NJ 1968, no. 217. De geëerde steller van het middel doet in dit opzicht nog wel een beroep op enkele passages uit een verklaring resp. een rapport van de psychiater Meijer, maar deze doen reeds deswege niet ter zake, omdat door het Hof niet zijn vastgesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d20e2d9750e8cde061f730222a5cfd166511990259553b54b679ebe7be538a9a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d20e2d9750e8cde061f730222a5cfd166511990259553b54b679ebe7be538a9a, en de alinea staat in dat document op bytes 4973 tot 5762.