Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 januari 1981

Alinea 11 Parket bij de Hoge Raad 20 januari 1981

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 januari 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AC3521.

Het bezwaar dat requirant hiertegen heeft is, dat het typische kenmerk van het rechtsgoed, dat in art. 138, voorzover het handelt over de woning, aan de orde is, het huisrecht, in dat geval ontbreekt. Verwezen wordt o.m. naar de befaamde definitie van woning van Buys (De Grondwet, II, p. 396): de plaats waar de mens zijn privaat huiselijk leven leidt en die hij daarom aan zijn persoon verbindt door hem van de buitenwereld af te sluiten. Genoemd wordt voorts de stelling van A.Q.C. Tak, Het huisrecht, diss. Utrecht 1973, p. 15: De plaats moet tot direct gebruik voor een of meer bepaalde personen bestemd zijn en het gebruik van de plaats moet zich kenmerken door privacy-karakter. Tenslotte attendeer ik op een passage van de omschrijving van Van der Pot-Donner, 1977, p. 459: de plaats waar iemand het meest zichzelf is. Zelf verwijs ik naar Noyon-Langemeijer II, p. 207 e.v., alwaar men ook een omschrijving van deze strekking vindt, en waar sympathie wordt betuigd met de omschrijving van Verkouteren: Men moet facto et animo wonen. Welnu, werkelijk bewonen kan dan alleen maar de werkelijke bewoner, en deze was overleden. De nabestaanden e.d., die de boedel afwikkelen, en het woonhuis in die tijd beheren, zijn toch niet als echte bewoners aan te merken, wier intieme leven van buiten beschermd dient te worden. Op zich zelf lijkt mij deze argumentatie wel sterk en past zij in de door mij voorgestane van die van Uw Raad verschillende uitleg van art. 138. Zoals Uw Raad immers bekend is (o.m. conclusie vóór H.R. 16 nov. 1971, N.J. 1972, no. 61), ben ik van mening, dat een woning slechts een woning is, zolang daarin wordt gewoond. Na afloop van de bewoning wordt de voormalige woongelegenheid, voorzover althans niet werd gewoond op een afgesloten plek op de grond enz., een ‘’locaal’’, en zal de bescherming tegen indringers gezocht moeten worden in de eveneens onder art. 138 ressorterende strafbaarstelling van lokaalvredebreuk. Als gebruiker van een lokaal geldt: de simpele rechthebbende houder van het lokaal, evenals de gebruiker van een erf (beschermd tegen erfvredebreuk) is de simpele houder van het erf. Aangezien Uw Raad ‘’woning’’ interpreteert als ‘’woonhuis’’ (uiteraard in ruime zin op te vatten) komt men in moeilijkheden als zo'n woonhuis niet meer als woning wordt gebruikt. De Rechtbank tracht in casu het gat in het lacuneuze systeem dat alsdan ontstaat, te dichten door het gebruik van de woning uit te breiden in de zoëven genoemde zin. Nu de woorden van de wet zich daartegen niet verzetten, terwijl de ratio gebiedt om het ‘’gat’’ zo gering mogelijk te doen zijn, zou ik Uw Raad willen adviseren zich bij deze interpretatie neer te leggen. Alsdan kan de toch wel ‘’stuitende’’ consequentie, dat zelfs de boedel van een overledene niet in alle rust kan worden afgewikkeld worden vermeden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a7bf9e6157c76d627cf26a27204f465fc81bdad53e0a0a4b304c6147ea870b86. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a7bf9e6157c76d627cf26a27204f465fc81bdad53e0a0a4b304c6147ea870b86, en de alinea staat in dat document op bytes 6821 tot 9741.