Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 maart 1981

Alinea 11 Parket bij de Hoge Raad 10 maart 1981

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 maart 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AC7243.

Terecht stelt de raadsman van requirant dat uitdrukkingen, gebezigd in verband met het in art. 341 Sr. omschreven strafbare feit zoveel mogelijk behoren te worden uitgelegd aan de hand van de civielrechtelijke opvattingen dienaangaande, hier dus met name die van de Faillissementswet (afgekort Fw.). Het faillissement nu omvat het gehele vermogen van de schuldenaar (zie art. 20 Fw. in verband met art. 1177 BW), dat wil zeggen al zijn rechten en verplichtingen van vermogensrechtelijke aard (vergelijk b.v. de artikelen 25 e.v. Fw.), al zijn baten en schulden (art. 96 Fw.), behoudens enkele hier niet relevante uitzonderingen (b.v. art. 21 Fw.).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3241007e1cb2b4907ad973c512e89c43bbe605c813efc0090a5b54c733b76ffe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3241007e1cb2b4907ad973c512e89c43bbe605c813efc0090a5b54c733b76ffe, en de alinea staat in dat document op bytes 5163 tot 5824.