Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 januari 1981

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 16 januari 1981

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 januari 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AG4158.

8. De primaire klacht van subonderdeel V - B haakt in op HR 1 juli 1977, NJ 1978, 125 (G.J.S.). Daarin werd overwogen: ''dat het bovendien bij uitleg van een beding als het onderhavige in de eerste plaats aankomt op de zin welke de koper daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen en op hetgeen de verkoper te dien aanzien van de koper mocht verwachten''. Al aangenomen dat deze voor een geheel andere casus gegeven rechtsoverweging eveneens op de in dit geding bedoelde annuleringsclausule toepasselijk is, dan baat zulks m.i. [eisers] niet, evenmin als hun nadere stelling in dit subonderdeel dat niet alleen de taalkundige betekenis van de contracts-tekst maar - in de eerste plaats, althans mede - de goede trouw beslist over de gevolgen van een overeenkomst. Het leerstuk van de goede trouw in haar (al dan niet beperkende) werking ten aanzien van contractsinhoud en - uitlegging behoeft men geenszins te kort te doen wanneer men bij de toepassing van dat leerstuk een zekere ..... beperking, behoedzaamheid in acht neemt. Het gaat niet aan met een simpel beroep op de goede trouw uit de op zichzelf duidelijke tekst een overeenkomst weg te vluchten. Het beroep op de goede trouw, wil het kans van slagen hebben, moet onderbouwd zijn met specifieke stellingen van feitelijke aard. Welnu, zoals het Hof heeft vastgesteld is er in de onderhavige zaak nagenoeg geen ander feitenmateriaal naar voren gebracht dan de schriftelijke overeenkomst. Het is vrijwel uitsluitend op basis daarvan dat partijen hun debat hebben gevoerd, ieder voor zich de redelijkheid van het eigen standpunt verdedigend. Onder deze omstandigheden lag het voor de hand dat de feitenrechters een doorslaggevend gewicht hebben toegekend aan de tekst van de overeenkomst en op basis daarvan tot de thans in cassatie bestreden uitlegging, die zeker niet onredelijk of onbillijk is, hebben kunnen komen. Voor een goede trouwescape, die niet berust op feitelijke indicaties van externe aard - in de zin van: buiten de contracts-tekst gelegen - is dan geen ruimte meer. Ook het verwachtingspatroon van partijen, in de geciteerde door HR 1 juli 1977, NJ 1978, 125 bedoelde zin, is voor de rechter in de onderhavige zaak niet kenbaar buiten de contracts-tekst om. Het is te destilleren uit de door het Hof aan de overeenkomst gegeven uitlegging zoals hiervoor, onder nr. 3 en nr. 7 , beschreven. Kort samengevat: partijen zijn met elkaar in zee gegaan op min of meer experimentele basis, in die zin dat ieder van hen gedurende het gehele jaar 1976 in beginsel desgewenst op elk willekeurig moment zonder opgave van redenen mocht afhaken, waarbij het recht op winstvergoeding van [eisers] in dat jaar alleen in stand zou blijven in geval van terugkoop door hen zelf en indien Haviltex geen beroep op de annuleringsclausule zou doen, en waarbij voorts Haviltex alle verlieskansen voor haar rekening heeft genomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/83bc45bcdf9aceb7ce8c61a7c544f670dc499eda133cf908cb7451b7fb212bd6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 83bc45bcdf9aceb7ce8c61a7c544f670dc499eda133cf908cb7451b7fb212bd6, en de alinea staat in dat document op bytes 23894 tot 26849.