Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 mei 1981
Alinea 74 Parket bij de Hoge Raad 15 mei 1981
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 mei 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AG4232.
Het Hof overweegt hier in het kader van zijn beantwoording van de vraag, of de moeder onrechtmatig handelde tegenover de (handels)crediteuren van de dochter, hoezeer wellicht de voortzetting uit een oogpunt van concern- of bedrijfspolitiek op zichzelf gerechtvaardigd was. Het Hof beoogde kennelijk duidelijk te maken dat naar zijn feitelijk oordeel [A] voor wat betreft de haar verschafte financiële middelen in feite steeds negatief heeft gestaan. Men kan hier zien een soort tegenhanger van de volgens r.o.8.4, 8.5 en 8.6 feitelijke omstandigheid, dat in feite al hetgeen in het economische verkeer in handen van [A] waarde had, tenslotte hetzij als zekerheid hetzij in volle eigendom de moeder toebehoorde.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff5511f43c616c73d6e65e223a8faf4bfe7e8c7d8a9ceaabbca09f15c5d66ba0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff5511f43c616c73d6e65e223a8faf4bfe7e8c7d8a9ceaabbca09f15c5d66ba0, en de alinea staat in dat document op bytes 32593 tot 33317.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ff5511f43c616c73d6e65e223a8faf4bfe7e8c7d8a9ceaabbca09f15c5d66ba0 | shasum -a 256