Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 februari 1981

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 23 februari 1981

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 februari 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AW9635.

Laatstgenoemd arrest is, voornamelijk inzake de wijze van rechtsvinding, gecritiseerd door Scheltens in zijn noot in B.N.B. en, ten gronde, door Schuttevaer in De Nederlandse Successiewetgeving, 2e druk 1977, p. 273/4. Schuttevaer acht door het arrest de grens van de constructie van artikel 18 Successiewet bepaald overschreden. Voorts wijst hij erop dat het arrest, bij een hoge marktrente de toepasselijkheid van de tabellen van artikel 21 voor de verkrijger een fiscaal voordeel betekent, maar dat er ook een nadelig spiegelbeeld is, bij voorbeeld bij degene, aan wie een legaat of schenking is toegekend onder de last, het bedrag tien jaar lang renteloos aan een derde uit te lenen. Deze auteur ziet uitspraken van de gerechtshoven in Den Haag (24 augustus 1973, B.N.B. 1975/35, m.n. Scheltens) en in Den Bosch (5 maart 1976, B.N.B. 1977/209) als pogingen tot inperking van het toepassingsgebied van Uw arrest, met welke pogingen hij instemt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7fc5a2d13b4cf5c684fbad68a5e6f9180990b105aac5d5a7f535af69586dc685. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7fc5a2d13b4cf5c684fbad68a5e6f9180990b105aac5d5a7f535af69586dc685, en de alinea staat in dat document op bytes 12422 tot 13382.