Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 november 1982

Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 5 november 1982

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 november 1982, ECLI:NL:PHR:1982:1.

Als dat alles zo ligt voor het Nederlandse recht in engere zin, dan moet hetzelfde voor het recht van de Ned. Antillen a fortiori worden aangenomen. Het Antilliaanse burgerlijke procesrecht is niet zondermeer een reproductie van het Nederlandse. Zie hierover de conclusie van de toenmalige A-G Berger voor HR 16 januari 1976, NJ 1976, 578. Volgens HR 30 december 1977, NJ 1979, 116, m.b.t. onderdeel 1, strookt het niet met het systeem van art. 271 Ant.Rv. – uit welke bepaling volgt dat een appellant wel bevoegd maar niet verplicht is om middelen aan te voeren waarop het hoger beroep is gegrond – dat het hof zich, ingeval middelen zijn aangevoerd, zou moeten beperken tot een onderzoek van de aangevoerde grieven. Als ik het goed zie, bedoelt de Hoge Raad hiermee niet dat de Antilliaanse appèlrechter buiten de grieven om mag vernietigen (zie HR 11 maart 1966, NJ 1966, 330 eerder genoemd), maar dat hij ambtshalve rechtsgronden mag aanvullen in overeenstemming met art. 52 Ant.Rv. (of art. 48 Ned. Rv.).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4ae5c4aa41e95685abb5ed7ddce15f2d1f3b54ce9fbb25a89263d691980f5674. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4ae5c4aa41e95685abb5ed7ddce15f2d1f3b54ce9fbb25a89263d691980f5674, en de alinea staat in dat document op bytes 14211 tot 15240.