Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 november 1982
Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 5 november 1982
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 november 1982, ECLI:NL:PHR:1982:1.
5. Ook reeds onder het regime van art. 47-oud K. had een niet op de wet of de statuten berustende interne beperking van de (wettelijke) vertegenwoordigingsbevoegdheid van een bestuurder, zoals een vereiste van toestemming door de a.v., geen externe werking, zodat zo’n beperking door de naamloze vennootschap niet aan een derde, met wie die bestuurder een onder die beperking vallende overeenkomst had gesloten, kon worden tegengeworpen. Dit is tot uiting gebracht door HR 5 januari 1979, NJ 1979, 317 (Ma.), gewezen onder vigeur van de (oude) Wet op de stichtingen die in art. 8 een regel bevatte van dezelfde strekking als art 47-oud K. In deze zin: Van der Heijden-Van der Grinten, "Handboek voor de n.v. naar Ned.recht" (1955), p. 397-399; 403; 415; Löwensteyn, "Wezen en bevoegdheid van het bestuur van de vereniging en de naamloze vennootschap" (diss. 1959), p. 61 e.v. en 191: de a.v. kan niet, met opzijzetting van wet en statuten, de macht en de bevoegdheden van het bestuur beperken; Löwensteyn in de losbladige "Rechtspersonen", aant. 1, p. 1-2, op art 130: alleen de statuten kunnen – onder departementale controle – de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur beperken. De overeenkomst tussen [betrokkene 1] en [verzoeker] "geldt als" (HR-1979) een overeenkomst tussen de vennootschap en [verzoeker] , ondanks de interne bevoegdheidsbeperking van eerstgenoemde. Alleen indien sprake zou zijn van "misbruik van bevoegdheid" zou er, aldus het arrest van 1979, anders geoordeeld moeten worden. Voorts is denkbaar dat de derde, i.c. [verzoeker] , een onrechtmatige daad jegens de vennootschap pleegt door met haar bestuurder te contracteren, of dat de derde in strijd handelt met de goede trouw door zich op de overeenkomst te beroepen. Zie Asser-Van der Grinten 2-II (1980), p. 68-69; Maeijer in zijn noot onder het arrest van 1979 en in Maeijer en Ronse, "De vertegenwoordiging van rechtspersonen naar Nederlands en Belgisch recht" (1978), p. 32. Naar mijn mening doen geen van deze uitzonderingsgevallen zich hier voor. De omstandigheden waarop het hof zich baseert, nl. dat [verzoeker] van de bevoegdheidsbeperking op de hoogte – en in die zin niet "te goeder trouw" – was en zich daartegen niet heeft verzet, maken hem nog niet "te kwader trouw" in de zin van art. 1374 lid 3 B.W. en bestempelen zijn optreden ten deze niet tot onrechtmatige daad. Omtrent "samenspanning" tussen [verzoeker] en [betrokkene 1] in het nadeel van de vennootschap heeft het hof niets vastgesteld. Ook overigens blijkt van "misbruik van bevoegdheid" (HR-1979) door [betrokkene 1] niet. Vergl. Van Schilfgaarde in de losbladige "Rechtspersonen" I, Algemene inleiding, par. 6., aant. 22: Löwensteyn, diss. p. 170 e.v., over misbruik van bestuursmacht. [verzoeker] was bestuurder van een der aandeelhouders van de vennootschap en het was in die hoedanigheid dat hij de "notulen" van 1 juni 1976 heeft ondertekend. Hij sloot de in dit geding bedoelde transactie echter voor eigen rekening af en derhalve wèl als "de eerste de beste" derde, zij het dan een derde die de litigieuze bevoegdheidsbeperking van [betrokkene 1] kende.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4ae5c4aa41e95685abb5ed7ddce15f2d1f3b54ce9fbb25a89263d691980f5674. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4ae5c4aa41e95685abb5ed7ddce15f2d1f3b54ce9fbb25a89263d691980f5674, en de alinea staat in dat document op bytes 23066 tot 26252.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4ae5c4aa41e95685abb5ed7ddce15f2d1f3b54ce9fbb25a89263d691980f5674 | shasum -a 256