Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 1985

Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 16 april 1985

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 1985, ECLI:NL:PHR:1985:AC8903.

Blijkens het ambtsedig proces-verbaal nr. 9340/83 van 18 november 1983 opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te [plaats] , is de in een plastic zakje verpakte cocaïne (49,6 gram) aangetroffen bij onderzoek in een naast de geyser hangend kastje in de keuken. Daarbij is, zoals vermeld in het op ambtseed/belofte opgemaakte proces-verbaal van binnentreden, volgens hetwelk de woning na een uur weer door de politie is verlaten, niets verbroken. Een dergelijk eenvoudig en, gelet op de op het spel staande belangen, weinig ingrijpend onderzoek behoort tot de handelingen waartoe opsporingsambtenaren, die ingevolge artikel 9 van de Opiumwet te allen tijde niet alleen toegang hebben tot de plaatsen waar redelijkerwijze vermoed kan worden dat een overtreding van die wet gepleegd wordt maar ook bevoegd zijn tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen, mogen overgaan indien zij — zoals in dit geval — rechtmatig een woning zijn binnengetreden met het doel daar het nodige opsporingsonderzoek in te stellen en de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dac0a07d7e6c86fb41dc39d86d90e0913df660f52eb8eda2b31e1c3af3ecdc10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dac0a07d7e6c86fb41dc39d86d90e0913df660f52eb8eda2b31e1c3af3ecdc10, en de alinea staat in dat document op bytes 8471 tot 9618.