Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 1986

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 1986

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AB9446.

Dit punt verdient de aandacht omdat zich in de onderhavige zaak, blijkens voormelde vaststaande feiten, zo’n langere keten voordoet: [eiser] [betrokkene 1]-[betrokkene 2]-[verweerder]. Als juist is – hetgeen is aangevoerd in de conclusie OM voor HR 24 november 1967, NJ 1968, 74, p. 263 rechts – dat voor het slagen van de revindicatie van [eiser] tegen [verweerder] de kwade trouw van [betrokkene 2] (als verkrijger van [betrokkene 1]) moet komen vast te staan omdat anders [betrokkene 2] en daarna diens rechtsopvolger [verweerder] ongeacht de goede trouw van laatstgenoemde eigenaar zou zijn geworden, zou daarmee de vraag rijzen òf in dit geding [betrokkene 2]’ kwade trouw als in cassatie vaststaand heeft te gelden. Zo nee, dan zou [eiser] revindicatie immers reeds hierop stranden en zou het hof – daargelaten de daarvoor gebezigde gronden – een juiste beslissing hebben gegeven, zodat het middel reeds wegens gebrek aan belang zou stranden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cc293fa3d4cca8c5e7b17d560bd8d97c045e01363e372a5b0ff6c3a0b007164a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cc293fa3d4cca8c5e7b17d560bd8d97c045e01363e372a5b0ff6c3a0b007164a, en de alinea staat in dat document op bytes 13388 tot 14477.