Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 1986

Alinea 73 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 1986

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AB9446.

9. Naar mijn mening volgt uit bovenstaande gegevens, dat aan het kentekenstelsel slechts een beperkte betekenis toekomt voor de goede trouw -eis van art. 2014 BW. De tenaamstelling van de nieuwe eigenaar is niet zonder meer verbonden aan de eigendomsovergang. Een auto kan door B en C in eigendom worden overgedragen ook indien B niet beschikt over een geldig deel III van het kentekenbewijs, zie art. 9 lid 6 RKR. Hierbij past niet aan de goede trouw van de verkrijger van een beschikkingsonbevoegde, die zich op art. 2014 BW beroept, de eis te stellen dat hij zich vergewist van de aanwezigheid van kopie deel III ook in gevallen zoals het onderhavige waarin de identiteit van de voorman, [betrokkene 2], bekend is. Juist deze laatst genoemde omstandigheid is van belang en draagt er in aanzienlijke mate toe bij dat [verweerder] geen reden had om te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 2]. Het belangrijkste verschil met de casus van HR 24 november 1974 meergenoemd lijkt me echter, dat in de onderhavige zaak het kentekenbewijs ten tijde van de transactie [betrokkene 2]-[verweerder] wèl op naam van de voornam, [betrokkene 2], stond, en wel reeds sedert 15 januari 1979, zoals blijkt uit de antwoord-akte van [verweerder] d.d. 8 juli 1982 met de bijbehorende produktie. Zou [verweerder] voor of bij de verkrijging op 2 maart 1979 naar de papieren hebben gevraagd, dan had [betrokkene 2] hem een volledig ten name van [betrokkene 2] gesteld kentekenbewijs hebben kunnen laten zien. Informeren bij het kentekenregister zou niet tot een andere uitkomst hebben geleid. Zie (het hier niet rechtstreeks toepasselijke) art. 3.1.2.6 over registergoederen. Het gaat m.i. te ver om nu bovendien te eisen dat [verweerder] naar het (ontbrekende) kopie deel III had moeten vragen. Daarvoor bestond m.i. onvoldoende aanleiding. Met het kentekenbewijs zelfs was op 2 maart 1979 alles in orde. Het stelsel van art. 3.1.1.12 NBW brengt – mede gelet op art. 3.1.2.6 – mee dat [verweerder] is te beschouwen als iemand die op 2 maart 1979 er van uit mocht gaan dat de auto ten name van zijn voorman [betrokkene 2] stond en dat derhalve de overschrijving te diens name in het verleden, zoals door de wettelijke regelingen vereist, was gerealiseerd. Aanleiding voor [verweerder] om op 2 maart 1979 te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 2] was er daarom niet. Op grond daarvan was er evenmin reden om te vragen naar het niet van het kentekenbewijs zelfs deel uitmakende kopie deel III.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cc293fa3d4cca8c5e7b17d560bd8d97c045e01363e372a5b0ff6c3a0b007164a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cc293fa3d4cca8c5e7b17d560bd8d97c045e01363e372a5b0ff6c3a0b007164a, en de alinea staat in dat document op bytes 33232 tot 35835.