Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 mei 1986

Alinea 61 Parket bij de Hoge Raad 16 mei 1986

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 mei 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC9347.

Het komt mij voor dat het hof in de r.o. 3.2 en 3.3 van het bestreden arrest is uitgegaan van wat men de klassieke opvatting kan noemen: een rechterlijke uitspraak heeft van nature, noodzakelijkerwijze, terugwerkende kracht. Die opvatting berust meestal op de visie die men heeft over taak en functie van de rechter. Deze mag slechts de wet uitleggen en daarbij beslissen wat de betekenis van die wet altijd, d.w.z. vanaf de inwerkingtreding, is geweest. De rechter "vindt" recht dat al bestond; hij schept of vormt geen recht en a fortiori kan hij het recht niet wijzigen: dat is voorbehouden aan de wetgever. Evenmin kan de rechter overgangsrecht maken (aldus bijv. Scheltema in NJ 1979, p. 999 sub 6, in zijn noot onder HR 7 maart 1979, NJ 1979, 319). Deze, in uiteenlopende varianten o.a. door Paul Scholten en Hijmans van den Bergh aangehangen opvatting is uitvoerig besproken door J.J.R. Polman in zijn dissertatie "Temporele werkingen van wetten" (1984), p. 36 e.v.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0c8c0f2d917d0dcac9d58ca08ebd064888bc66ff7f86af007c2ae6d8a2ed2ae7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0c8c0f2d917d0dcac9d58ca08ebd064888bc66ff7f86af007c2ae6d8a2ed2ae7, en de alinea staat in dat document op bytes 23040 tot 24025.