Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 november 1986
Alinea 4 Parket bij de Hoge Raad 28 november 1986
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 november 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC9604.
1. In cassatie ligt de vraag voor of de Rechtbank te Zutphen, toen zij de huidige verweerder in cassatie als eiser in eerste aanleg bij haar vonnis van 7 juni 1984 niet-ontvankelijk verklaarde in zijn bij dagvaarding aangebracht verzet tegen het te zijnen laste door de Raad voor de Kinderbescherming te Zutphen — de Raad — overeenkomstig het bepaalde bij art. 479g Rv onder het Sociaal Werkvoorzieningsschap Hameland te Groenland gelegde executoriaal derdenbeslag, hem als de in het ongelijk gestelde partij had moeten veroordelen in de aan de zijde van de Raad gevallen proceskosten, hoewel de Raad, die in de procedure verweer voerde, zulk een kostenveroordeling in eerste aanleg niet had gevorderd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8f75c829991c2c57a358d2e60c278df74c2cf00c71fcad7faa115fc685b3fd53. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8f75c829991c2c57a358d2e60c278df74c2cf00c71fcad7faa115fc685b3fd53, en de alinea staat in dat document op bytes 4140 tot 4859.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8f75c829991c2c57a358d2e60c278df74c2cf00c71fcad7faa115fc685b3fd53 | shasum -a 256