Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 1986

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 1986

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 augustus 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC9608.

Het uitvoerige betoog van requirant gaat -in alle eerbied gezegd- voorbij aan het karakter van deze procedure als een toetsing door de rechter van een beweerde te lichtzinnige vervolging. Wat requirant wil - en wat tegenwoordig overigens steeds meer mode dreigt te worden - dat de raadkamer ook feitelijke verweren (die dan uiteraard als strafbaarheidsverweren worden opgediend) ten gronde moet onderzoeken. Men zou, het vorige arrest van Uw Raad in deze zaak critisch analyserend (zie ook de noot van 't Hart) kunnen stellen, dat Uw Raad deze ontwikkeling niet altijd tegengaat, maar ik houd het er op, dat ik dat verkeerd zie. Zie bijv. HR 28 mei 1985, NJ 1985, 906 en 4 juni 1985, NJ 1986, 093. Maar zou het die kant op gaan, dan worden strafzaken in de toekomst ten dele, nl. voorzover ze gunstig uitpakken voor de verdachte, uitgevochten in het voorportaal van de zittingzaal, zoals civiele zaken tegenwoordig vaak niet verder komen dan de kamer van de kort-geding-president.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ce54819f864be35293700759971190156ab024c0ed91d661dc80a382e50f1f3d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ce54819f864be35293700759971190156ab024c0ed91d661dc80a382e50f1f3d, en de alinea staat in dat document op bytes 10795 tot 11788.