Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 september 1986

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 10 september 1986

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 september 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AD7440.

De volgende vraag die in dit geval, waar het een angelsaksisch uitleveringsverzoek betreft, moet worden beantwoord, of voldoende prima faciëbewijs aanwezig is. Te dezen is toepasselijk art. 13 van het verdrag, waar is bepaald, dat wat Nederland betreft beslissend is, of de raadkamerrechter (die hiertoe de zg. niet-hoogstonwaarschijnlijkheidsformule pleegt te hanteren) de zaak naar de terechtzitting zou mogen verwijzen, hetgeen uiteraard in een executieuitlevering al gauw het geval is. Dat is ook hier geen punt. Ik meen, anders dan de Amsterdamse officier, dat dit ook geldt voor feit 2, de aanslag op Scotland Yard enz., omdat moet worden aangenomen (de opgeëiste persoon gaf dat ook toe op de zitting) dat beschadigingen aan de gebouwen zijn aangericht en er gevaren dreigden voor personen, zodat art. 157 Sr. toepasselijk is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd4808deccdd21ceecad623a6b803682c08473d57f6855c78525c63578aa0fe4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd4808deccdd21ceecad623a6b803682c08473d57f6855c78525c63578aa0fe4, en de alinea staat in dat document op bytes 12640 tot 13488.