Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 september 1986
Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 10 september 1986
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 september 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AD7440.
Bovendien ben ik van oordeel, dat het systeem van ons uitleveringsrecht meebrengt, dat niet de rechter, maar de Minister hierover oordeelt. Ik verwijs hier nog naar de zg. discriminatiebepaling waar de UW (in art. 10) uitdrukkelijk de Minister, niet de rechter als beoordelaar aanwijst. Ik acht bovendien de rechter voor een dergelijk oordeel niet geëquipeerd. Hoe kan deze uitmaken, of de opgeëiste persoon in Noord-Ierland, in Turkije of in Israël een nare behandeling of een unfair proces te wachten staat? Zou hij zich in ieder geval als het een land betreft dat het Verdrag van Rome heeft ondertekend niet moeten houden aan het vertrouwensbeginsel dat meebrengt om aan te nemen, dat de verzoekende staat zich behoorlijk gedraagt? Ook Uw Raad oordeelt zo, zij het dat hij meent (dat is althans eenmaal (HR 27 maart 1984, NJ 1984, 611 zo beslist), dat als het individuele klachtrecht ontbreekt, de rechter wel mag ingrijpen. Maar dat individuele klachtrecht ontbreekt nu juist niet in ons geval.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd4808deccdd21ceecad623a6b803682c08473d57f6855c78525c63578aa0fe4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd4808deccdd21ceecad623a6b803682c08473d57f6855c78525c63578aa0fe4, en de alinea staat in dat document op bytes 23053 tot 24067.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cd4808deccdd21ceecad623a6b803682c08473d57f6855c78525c63578aa0fe4 | shasum -a 256