Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juni 1987

Alinea 71 Parket bij de Hoge Raad 5 juni 1987

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juni 1987, ECLI:NL:PHR:1987:AB9113.

27. Maar bij dat uitdragen van eigen geloofsovertuiging — ook wanneer dat als aan die overtuiging verbonden plicht wordt beschouwd — zullen in het verkeer tussen de mensen geen andere normen voor het wereldlijk recht mogen gelden dan in profane zaken. Met geldzucht, naijver en trouweloosheid heeft de godsdienstige overtuiging nogal eens gemeen dat zij haar eigen grenzen niet kent en dus te buiten gaat. Wie uit oprechte godsdienstige overtuiging dingen zegt tegen een ongelovige die — in ander verband — zouden worden opgevat als niet passend in het maatschappelijk verkeer handelt — ook in deze context — onrechtmatig. De wereldlijke rechter is dom in dit opzicht, hij heeft geen maatstok waarmee hij de intrinsieke waarde van de godsdienstige overtuiging kan meten, laat staan dat hij haar absolute waarde zou kunnen vaststellen. Felix Imbecillitas.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f1cea17e89d6ce8cdc282577002daa4d43f3459e6447657f53931ed3a1fb2101. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f1cea17e89d6ce8cdc282577002daa4d43f3459e6447657f53931ed3a1fb2101, en de alinea staat in dat document op bytes 18422 tot 19302.