Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juni 1987
Alinea 75 Parket bij de Hoge Raad 5 juni 1987
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juni 1987, ECLI:NL:PHR:1987:AB9113.
31. Mijn antwoord is kort: het betekent niets tegenover de medemens, maar zeer veel tegenover de staatsoverheid. De ellende van de vondst der horizontaliteit van de grondrechten is, dat de (moderne) staat machtig is, het individu niet. Machtigen moeten in toom gehouden worden of erger (‘’deposuit potentes de sede’’), en daarom zegt het recht dat de staat niet stiekem brieven mag (laten) lezen van veronderstelde oproerlingen, niet in het gezinsleven mag interveniëren, mij niet mond-dood mag maken als ik politiek afwijk en zich niet mag bemoeien met enige godsdienstige overtuiging. Soms kan dat simpel op individuele burgers worden getransponeerd: ouders mogen de brieven, aan hun kinderen gericht, niet openen en lezen. Maar vaak liggen de situaties heel diffuus: de godsdienstbelijdenis van de Jehova-getuigen moet de staat accepteren. Moet ik daarom aanvaarden, dat zij voor mijn deur niet weg te slaan zijn? (al mag ik ze zeker niet slaan.)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f1cea17e89d6ce8cdc282577002daa4d43f3459e6447657f53931ed3a1fb2101. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f1cea17e89d6ce8cdc282577002daa4d43f3459e6447657f53931ed3a1fb2101, en de alinea staat in dat document op bytes 20340 tot 21350.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f1cea17e89d6ce8cdc282577002daa4d43f3459e6447657f53931ed3a1fb2101 | shasum -a 256