Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juni 1987

Alinea 92 Parket bij de Hoge Raad 5 juni 1987

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juni 1987, ECLI:NL:PHR:1987:AB9113.

b) dat de uitlatingen van [eisers] de verweerders als ‘’ongelovigen’’ niet kunnen treffen, is mij eveneens duister gebleven. Die uitlatingen, zoals ik ze begreep, hielden in, dat de Joden in 1933–1945 verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt, die ze verdienden en in de toekomst, tenzij ze hun geloof verloochenen, verschrikkelijke dingen zullen blijven meemaken, omdat ze die, ‘’onbekeerd’’, blijven verdienen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding, althans aan het niet doen verdwijnen van de ook nu nog bestaande haat tegen de Joden die het samenleven der volkeren vergiftigt. Waarmee ik niet wil zeggen, dat elke reactie vanuit het bedreigde kamp daarmee en deswege te rechtvaardigen is. Ook het handelen van de bedreigden staat onder de censuur van de geschiedenis en meer nog van de toekomst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f1cea17e89d6ce8cdc282577002daa4d43f3459e6447657f53931ed3a1fb2101. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f1cea17e89d6ce8cdc282577002daa4d43f3459e6447657f53931ed3a1fb2101, en de alinea staat in dat document op bytes 24948 tot 25799.