Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 februari 1990

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 2 februari 1990

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 februari 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AB7892.

Ook subonderdeel 4.2 moet m.i. falen, omdat ‘’de rechter vrij is aan ieder feitelijk gegeven dat het geding heeft opgeleverd de bewijskracht te hechten die hem goeddunkt, voor zover de wet niet anders bepaalt’’ (Losbl. Rv, aant. 5 vóór art. 176; zie ook a.w. art. 99 R.O., aant. 10 onder c, Pitlo-Hidma, 1981, blz. 103 en de rechtspraak geciteerd in Cremers bij art. 1959 oud). Onbegrijpelijk is 's hofs beslissing m.i. niet. Voor verdere controle is in cassatie geen plaats; zie voor verdere gegevens conclusie A-G Asser (onder 3) in de zaak nr. 13 690.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b605fa02a2820abf3c2f20b9635ba4fef48847c13e13d0e31f5abf0c929cefc6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b605fa02a2820abf3c2f20b9635ba4fef48847c13e13d0e31f5abf0c929cefc6, en de alinea staat in dat document op bytes 15872 tot 16487.