Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 september 1990

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 7 september 1990

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 september 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AB9950.

9. Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat het eerste middel niet kan slagen, hoewel het hier en daar in de literatuur steun schijnt te vinden, bv. bij Komen-Verkade, Kansspelen en cadeau-acties (Deventer 1972) no. 37. De meeste schrijvers staan echter op het standpunt dat kansspelen met vergunning volwaardige overeenkomsten in het leven roepen, kansspelen daarzonder echter tot nietige overeenkomsten leiden wegens gebrek aan geoorloofde oorzaak; natuurlijke verbintenissen zouden slechts tot stand komen bij kansspelen waarop de Wet op de kansspelen in het geheel niet van toepassing is. Aldus B. Wessels, Natuurlijke verbintenissen (Zwolle 1988) no. 210; Van Zeben, Compendium bijzondere overeenkomsten (Deventer 1989) p. 348; Asser-Kleijn (5-IV, 1988) no. 338-339. Deze laatste complicatie - gebaseerd op de m.i. onjuiste gedachte dat een loterij in beginsel toch spel of weddenschap is - doet zich echter onder de Arubaanse wetgeving, zoals gezegd, niet voor omdat daar deze derde categorie niet bestaat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73656cdf8cd6320d8f6519201f794ca0a27926d062afdef41f8466532f46544a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73656cdf8cd6320d8f6519201f794ca0a27926d062afdef41f8466532f46544a, en de alinea staat in dat document op bytes 14383 tot 15421.