Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 september 1990
Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 7 september 1990
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 september 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AB9950.
Bij loterijen voert het onderzoek van de aard van het verbod en van de strekking van de wetsbepaling echter weer terug naar de zedelijkheid: de wetgever verbiedt loterijen niet omdat hij de economisch zwakkere wil beschermen, of omdat hij zekerheid in het rechtsverkeer gewaarborgd wil zien, maar omdat hij de speel- en winzucht van het publiek heeft willen temmen of temperen. Zie memorie van toelichting bij Loterijwet 1905 (Zitting 1902-1903, 213 no. 3) par. 2; memorie van antwoord bij Loterij-verordening (Koloniale Raad, Zittingsjaar 1908-1909, 10 no. 4) p. l. M.a.w. de wetgever is tot het verbod gekomen op grond van een (zedelijk) oordeel over het slechte dat in loterijen schuilt, althans in niet goedgekeurde loterijen. Het zijn juist die zedelijke oordelen die in de loop van de tijd aan verandering of aan erosie onderhevig zijn, ook wanneer de wettelijke voorschriften ongewijzigd blijven. De wetgever reageert nu eenmaal niet altijd even kwiek op ontwikkelingen van deze aard; hij kan dat vaak ook niet omdat die ontwikkelingen zelf langzaam gaan, en soms ook moeilijk grijpbaar zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73656cdf8cd6320d8f6519201f794ca0a27926d062afdef41f8466532f46544a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73656cdf8cd6320d8f6519201f794ca0a27926d062afdef41f8466532f46544a, en de alinea staat in dat document op bytes 18854 tot 19966.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/73656cdf8cd6320d8f6519201f794ca0a27926d062afdef41f8466532f46544a | shasum -a 256