Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 september 1990

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 7 september 1990

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 september 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AB9950.

14. In het licht van het voorgaande is het niet noodzakelijk de juistheid te onderzoeken van een gedachtengang waarvan ook sporen te vinden zijn in de overwegingen van het hof maar waar het cassatiemiddel niet op in gaat: nl. deze dat een partij die zelf profiteert van een onwettig of onzedelijk contract daarvan niet de nietigheid kan inroepen. Voor die stelling - die zeker pleitbaar is - is overigens geen steun te vinden in de heersende leer en in de rechtspraak; zie J. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen (Deventer 1988) p. 65; Asser-Hartkamp (4-III, 1990) no. 346.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73656cdf8cd6320d8f6519201f794ca0a27926d062afdef41f8466532f46544a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73656cdf8cd6320d8f6519201f794ca0a27926d062afdef41f8466532f46544a, en de alinea staat in dat document op bytes 23157 tot 23767.