Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 maart 1990
Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 9 maart 1990
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 maart 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AC0791.
3.5 Naar mijn mening bieden noch de tekst, noch de geschiedenis van art. 1639h lid 4 BW steun aan de opvatting dat van de vrouw méér mag worden verlangd dan overlegging van een verklaring van een geneeskundige of vroedvrouw, inhoudend de vermoedelijke datum van de bevalling. Ook de strekking van de bepaling brengt dit niet mee: het heeft immers weinig zin ter bescherming van een zwangere werkneemster een ontslagverbod uit te vaardigen onder zodanige voorwaarden dat de vrouw, als het er op aan komt, er onmogelijk aan kan voldoen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/261fc5a3dd62e437373261a47c3512abd5834c3cb1d94f6f6c611251fb29f919. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 261fc5a3dd62e437373261a47c3512abd5834c3cb1d94f6f6c611251fb29f919, en de alinea staat in dat document op bytes 18020 tot 18615.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/261fc5a3dd62e437373261a47c3512abd5834c3cb1d94f6f6c611251fb29f919 | shasum -a 256