Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 november 1990
Alinea 112 Parket bij de Hoge Raad 9 november 1990
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 november 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AC1105.
Juist wat het derde lid van art. 611 betreft staat de literatuur echter op het standpunt dat de daarin neergelegde regel omtrent eigen schuld van de schuldenaar, hoewel begrijpelijk in geval van gijzeling, geen toepassing kan vinden bij de dwangsom. Zie H. Drion R.M.Th. 1962 p. 235; Van Opstall t.a.p .; Van Nispen, Het rechterlijk verbod en bevel (Deventer 1978) p. 450. Zoals Drion het formuleert: toepassing van art. 611 lid 3 op de dwangsom betekent "een denaturering van de dwangsom van pressiemiddel tot straf". Ik zou mij daarbij willen aansluiten; een dwangsom dient om te dwingen, en heeft geen zin meer waar dwang niet meer helpt - om welke reden dan ook. Wanneer de veroordeelde zichzelf in de onmogelijkheid heeft gebracht aan de veroordeling te voldoen, voor of na het veroordelend vonnis, staan de wederpartij andere rechtsmiddelen ten dienste om de consequenties daarvan op te vangen; de dwangsom is daartoe ongeschikt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01b8a820b02fd7b85d450376174cc9de50b70db4988b6b06141b98f77ec353b3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01b8a820b02fd7b85d450376174cc9de50b70db4988b6b06141b98f77ec353b3, en de alinea staat in dat document op bytes 56785 tot 57733.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/01b8a820b02fd7b85d450376174cc9de50b70db4988b6b06141b98f77ec353b3 | shasum -a 256