Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 november 1990

Alinea 84 Parket bij de Hoge Raad 9 november 1990

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 november 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AC1105.

De moeilijkheid ligt echter, zoals het hof terecht naar voren haalt, in de kwaliteit van schuldeiser. Mede-erfgenamen mogen zich wellicht tegenover elkaar gedragen als schuldeiser en schuldenaar wanneer geprocedeerd wordt over de vraag welke vermogensbestanddelen tot de boedel behoren; dat neemt echter niet weg dat wat hen verdeeld houdt niet rechtstreeks hun wederzijdse rechten en verplichtingen betreft maar de omvang van de boedel. Indien een erfgenaam conservatoir beslag legt onder een derde, ten laste van een mede-erfgenaam, zal hij geen vanwaardeverklaring kunnen verkrijgen omdat het geld van de derde niet hem toekomt, maar in de boedel behoort te vallen. In zoverre verschilt zijn positie van die van de legataris. Een erfgenaam kan zich niet zelf opwerpen als vertegenwoordiger van de boedel; bij gebreke van wetsbepalingen over het beheer van het gemeenschappelijk vermogen in het geldende BW zal men moeten aannemen dat hij daartoe de toestemming behoeft van de mede-erfgenamen. [eisers] hebben overigens niet gesteld namens de boedel op te treden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01b8a820b02fd7b85d450376174cc9de50b70db4988b6b06141b98f77ec353b3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01b8a820b02fd7b85d450376174cc9de50b70db4988b6b06141b98f77ec353b3, en de alinea staat in dat document op bytes 44740 tot 45818.