Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 februari 1990
Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 6 februari 1990
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 februari 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AD1139.
10.4. Het hof heeft voor het bewijs van hetgeen aan verdachte is telastegelegd gebruik gemaakt van de in proces-verbaal no 107 b d.d. 26 maart 1986 opgenomen verklaringen van [betrokkene 1], [verdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4]. Uit het door het hof terzake ingestelde onderzoek is niet aannemelijk geworden dat deze bewijsmiddelen rechtstreeks gevolg zijn van (confrontatie van verdachte en de andere hiervoor genoemde personen met de resultaten van) de huiszoekingen; evenmin is naar 's hofs oordeel aannemelijk geworden dat enig bewijsmiddel, gebruikt voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten, resultaat is van het afluisteren van telefoongesprekken, danwel het rechtstreeks gevolg hiervan. Reeds daarom behoeven de hierboven onder 10.1 en 10.2 namens verdachte gevoerde verweren in het kader van 's hofs onderzoek geen nadere bespreking.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45fa4c4d46d3787f18d9b6fea43d8ef33458785b050ed381cd061fbc20b9dd1c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45fa4c4d46d3787f18d9b6fea43d8ef33458785b050ed381cd061fbc20b9dd1c, en de alinea staat in dat document op bytes 16681 tot 17552.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/45fa4c4d46d3787f18d9b6fea43d8ef33458785b050ed381cd061fbc20b9dd1c | shasum -a 256