Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 mei 1991

Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 3 mei 1991

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 mei 1991, ECLI:NL:PHR:1991:18.

3) Na een tussenvonnis van 16 juni 1983 oordeelde de rechtbank bij haar eindvonnis van 6 februari 1986 dat er sprake was geweest van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten door Bouwservice aan [eiseres] . De rechtbank achtte de daartoe strekkende overeenkomst echter nietig op grond van art. 1373 BW, nu moest worden aangenomen dat [eiseres] zich er bij het aangaan van deze overeenkomst van bewust was dat de nakoming ervan zou leiden tot overtreding van het wettelijke verbod om arbeidskrachten ter beschikking te stellen zonder door de minister van sociale zaken en volksgezondheid verleende vergunning, en Bouwservice dit wist. De rechtbank wees de vordering van de curator desondanks op grond van onverschuldigde betaling toe, tot een bedrag van ƒ 78.995,16 met wettelijke rente (zij achtte in het door de curator subsidiair gedane beroep op ongerechtvaardigde verrijking een beroep op onverschuldigde betaling begrepen).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a082eb2fec45d90aa42bfd77e6d93dfadd3e7de96c05e9746f8e9809b6e6345. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a082eb2fec45d90aa42bfd77e6d93dfadd3e7de96c05e9746f8e9809b6e6345, en de alinea staat in dat document op bytes 7815 tot 8765.