Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 augustus 1992

Alinea 10 Parket bij de Hoge Raad 25 augustus 1992

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 augustus 1992, ECLI:NL:PHR:1992:3.

2. Daarop heeft [verzoekster] zich gewend tot de Kantonrechter te Beetsterzwaag met het verzoek het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen. Ter ondersteuning van haar stelling dat zij het verhuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik voerde [verzoekster] aan dat haar bedrijfsbelang vordert dat de zoon van haar directeur, [betrokkene 1] ., die als bedrijfsleider verbonden is aan vestigingen van een dochtermaatschappij te [vestigingsplaats 1] en te [vestigingsplaats 2] , de woning gaat bewonen. De woning zou voor [betrokkene 1] . een "perfecte uitvalsbasis" zijn om die vestigingen te bereiken en de dochtermaatschappij een loonsverhoging besparen, aangezien [betrokkene 1] . dan niet in staat behoeft te worden gesteld alternatieve woonruimte te bekostigen. Bovendien voerde [verzoekster] aan dat de door het echtpaar [verweerder] te betalen huurpenningen in geen verhouding staan tot de door [verzoekster] te betalen hypotheekkosten met betrekking tot de woning.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6cff0f788a0765ae521c9555d1fc03ddd282a7addc4d22734cf050108d648f3f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6cff0f788a0765ae521c9555d1fc03ddd282a7addc4d22734cf050108d648f3f, en de alinea staat in dat document op bytes 5533 tot 6544.