Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 november 1992

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 20 november 1992

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 november 1992, ECLI:NL:PHR:1992:37.

6) Onderdeel 3.1 is gericht tegen r.o. 4.4 van het tussenarrest, waarin het hof heeft beslist dat [verweerder] niet is te beschouwen als medecontractant (naast [de zoon] .) bij de gesloten aannemingsovereenkomst. Het onderdeel voert aan dat het hof bij de beantwoording van de vraag of [verweerder] medecontractant is, ten onrechte de nadruk heeft gelegd op, althans een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het “Haviltex-criterium”. Immers – aldus Vermobo – in het geval van bouwen op andermans grond ontstaat een contractuele verhouding door de enkele toestemming tot bouwen door de grondeigenaar. Nu die toestemming in elke vorm kan geschieden had het hof, gezien zijn vaststelling dat [verweerder] met de bouw instemde – in het licht van de overige vastgestelde omstandigheden -, tot het oordeel moeten komen dat de toestemming die een contractuele verhouding doet ontstaan aanwezig was, althans dat Vermobo de verklaringen en gedragingen van [verweerder] redelijkerwijs mocht opvatten als een tot haar gerichte verklaring inhoudende toestemming tot bouwen. Ik meen dat het onderdeel tevergeefs wordt voorgesteld. Blijkens de schriftelijke toelichting beroept het zich op HR 30 april 1938, NJ 1949, 253 (ze ook HR 23 juni 1972, NJ 1972, 316; 24 mei 1985, NJ 1985, 716 en 27 september 1991, NJ 1991, 802), onder meer beslissende dat “zodra door den grondeigenaar toestemming tot het bouwen is gegeven, een contractuele verhouding betreffende het bouwen tussen dezen en den bouwer aanwezig is (…)”. Maar deze beslissing betreft de vraag of de art. 658 en 659 oud B.W. van toepassing zijn (dat is alleen het geval indien een dergelijke contractuele verhouding ontbreekt); zij houdt – uiteraard – geenszins in dat zodra een toestemming als voormeld is verleend, de eigenaar geacht moet worden zich bij een aannemingsovereenkomst tot betaling van de door de bouwer (in casu van een derde) bedongen aannemingssom te hebben verbonden. Het is de laatstvermelde vraag die het hof in de bestreden rechtsoverweging heeft beslist en ontkennend beantwoord, en het college heeft dat gedaan aan de hand van de juiste maatstaf (hetgeen het middel, blijkens de schriftelijke toelichting, op zichzelf niet bestrijdt), bij de toepassing waarvan geen motiveringsgebrek valt aan te wijzen, Verg. HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 m.nt. G.J.S. en Asser-Hartkamp II, nr. 122.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/abf3c0a2145068af20668142161d025d8d31a527c880bd36c687df2151be60ae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt abf3c0a2145068af20668142161d025d8d31a527c880bd36c687df2151be60ae, en de alinea staat in dat document op bytes 15289 tot 17727.