Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 juni 1993

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 22 juni 1993

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 juni 1993, ECLI:NL:PHR:1993:13.

Dit lijkt mij juist; wanneer tegen een persoon een ‘’criminal charge’’ in de zin van art. 14, lid 3 IVBPR (en 6 EVRM) bestaat, zal tegen die persoon niet meer een vordering op grond van art. 41 WVW kunnen worden gedaan. Van justitiële zijde is haar of hém dan immers bericht, dat zij of hij tot antwoorden niet verplicht is. Art. 41 lijkt — gelet op de redactie van het artikel (de MvT bij de wetswijziging (p. 9) spreekt wel over de mogelijkheid van het samenvallen van de identiteit van de bestuurder en degene tot wie de vordering is gericht, maar dat is iets anders dan het samenvallen van de persoon tot wie de vordering is gericht en degene die ervan wordt verdacht bestuurder te zijn, resp. tegen wie een criminal charge is gericht) — in beginsel voor dergelijke situaties niet te zijn geschreven. Het spreekt over een '’’onbekend gebleven bestuurder’’; die situatie bestaat niet wanneer er verdenking tegen een bepaalde persoon bestaat, zodanig dat op die grond vervolgingsactiviteiten zijn verricht en er (dus) van een ‘’criminal charge’’ in voornoemde zin moet worden gesproken. Anders evenwel: Remmelink, Hoofdwegen in het verkeersrecht, 4e dr., 1992, p. 150.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1d5989e8673f220d00fe367f658ad51a80dac161e6a0b099e6a3fcfb6d1f30a2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1d5989e8673f220d00fe367f658ad51a80dac161e6a0b099e6a3fcfb6d1f30a2, en de alinea staat in dat document op bytes 9041 tot 10255.