Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 juni 1993

Alinea 9 Parket bij de Hoge Raad 29 juni 1993

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 juni 1993, ECLI:NL:PHR:1993:25.

Het hof heeft in zijn in cassatie bestreden arrest in antwoord op een bewijsverweer overwogen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen genoegzaam blijkt dat de samenwerking van verzoekers mededaders en hemzelf zo nauw is geweest dat van mededaderschap moet worden gesproken. Dit, niet van een verkeerde rechtsopvatting blijk gevende, oordeel is niet onbegrijpelijk: verzoeker ging, terwijl hij van het plan om in te breken wist, met zijn vrienden mee naar het gebouw van de petanqueclub; terwijl de anderen naar binnen gingen bleef verzoeker buiten; de opbrengst van de inbraak (bier en snoepgoed) heeft hij samen met hen opgemaakt. Het hof heeft hier ‘’een zekere taakverdeling’’, kenmerkend voor medeplegen (Van Veen in Daderschap en deelneming, 1985, p. 82), kunnen aannemen. Het middel is ongegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a4b8e13d5c05a4964fc006205ea4fd800e9abf6a436f4e98d8988f11da7cae5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a4b8e13d5c05a4964fc006205ea4fd800e9abf6a436f4e98d8988f11da7cae5, en de alinea staat in dat document op bytes 4790 tot 5610.