Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 november 1993

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 12 november 1993

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 november 1993, ECLI:NL:PHR:1993:39.

Op stelling (ii) is het hof ingegaan in de r.o. 13 en 14. Het hof heeft geoordeeld dat ook als een bedrijf uitvoerig reclame maakt voor zijn produkten/diensten, dit niet betekent dat het zijn aansprakelijkheid voor fouten nooit kan uitsluiten, omdat zelfs de meest markante affichage van eigen kunnen geen absolute garantie inhoudt dat geen fouten worden gemaakt. In casu konden de fouten van de onderaannemer SKS in de relatie tussen De Schelde en Matatag c.s. aan De Schelde worden toegerekend. De Schelde was op zichzelf krachtens de overeenkomst gerechtigd een onderaannemer in te schakelen. Dit was ook gebruikelijk en niet is komen vast te staan dat De Schelde een onderaannemer heeft ingeschakeld die niet voor de opgedragen taak berekend was. Onder deze omstandigheden brengt de wijze waarop zij zich in haar reclamefolder afficheert niet mee dat zij zich niet op het exoneratiebeding kan beroepen. Stelling (iii) verwijt het hof niet te zijn ingegaan op het betoog dat geen sprake is geweest van “gewone fouten”. Inderdaad heeft het hof niet expliciet overwogen dat het niet aandraaien van enkele bouten een “gewone” fout is. Dat het hof een beroep op het exoneratiebeding heeft toegelaten, laat echter geen andere conclusie toe dan dat het hof van mening is dat het niet aandraaien van de bewuste bouten niet een zo ernstige fout is dat een beroep op een exoneratiebeding in strijd met de goede trouw moet worden geacht. Nu het hof, zoals reeds vermeld, naar mijn mening bovendien heeft beslist dat bij het aandraaien geen onjuiste methode is gevolgd, en het voorts de stelling van Matatag c.s. dat “krullenjongens” aan het werk zijn geweest heeft verworpen (zie r.o. 13), is dit oordeel m.i. niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Stelling (iv ) miskent dat het hof de onderaannemer niet incompetent heeft geoordeeld en dat het de door Matatag c.s. verdedigde opvatting dat de exoneratieclausule niet tegen de in het onderhavige geval gemaakte fouten beschermde (welke opvatting door De Schelde is bestreden), op begrijpelijke gronden heeft verworpen. Het sub (v) genoemde argument heeft het hof inderdaad niet expliciet besproken, maar dat behoefde het college ook niet (zie hierboven); het is niet onbegrijpelijk dat het hof dit argument niet voldoende zwaarwegend heeft geacht om De Schelde’s beroep op het beding niet te honoreren. Onder (vi ) wordt het hof verweten niet te zijn ingegaan op de stelling dat er geen mogelijkheid tot exoneratie is ten aanzien van hoofdverplichtingen. Wat er zij van deze stelling, ik kan niet inzien hoe zij de feitenrechter ervan kan weerhouden aan te nemen dat een exoneratie kan worden ingeroepen met betrekking tot een bij de uitvoering van (kennelijk omvangrijke) reparatiewerkzaamheden gemaakte fout als de onderhavige. De stelling behoefde dus geen bespreking.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be2701d1c89ae3faacc63086bac3622f75539c7ae538a023918f4e7a1242139f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be2701d1c89ae3faacc63086bac3622f75539c7ae538a023918f4e7a1242139f, en de alinea staat in dat document op bytes 21073 tot 24160.