Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 maart 1994

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 18 maart 1994

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 maart 1994, ECLI:NL:PHR:1994:19.

Het eerste middel in het incidentele beroep richt zich tegen rov. 4.14 van het Hof en houdt verband met de kwestie van de statistische eindleeftijd. Zoals al in het middel wordt geopperd (‘’indien’’; zie ook de schriftelijke toelichting van mr Snijders blz. 7), mist het, dunkt me, feitelijke grondslag. Hoewel de bewoordingen van het Hof enige twijfel kunnen wekken, heeft het Hof mijns inziens niet meer gedaan dan het formuleren van het algemene uitgangspunt dat bij het bepalen van het civiele plafond, evenals bij het vaststellen van de overlijdensschade van de nabestaanden, in aanmerking moet worden genomen, dat het slachtoffer, ware het in leven gebleven, op zeker tijdstip zou zijn overleden. Dit uitgangspunt is juist. Zie Schadevergoeding (Bolt) aant. 35 op art. 108, met verdere gegevens. Ik zie niet dat — zoals het middel suggereert — in 's Hofs arrest besloten zou liggen dat de sterftekans tweemaal moet worden verdisconteerd. De ‘’vertaling’’ van dit uitgangspunt naar de concrete situatie in dit geval moet worden overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4bec710fe597bba3bfd01d6d520e127d984b3d6345cd8693a3cc6b754b3c3954. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4bec710fe597bba3bfd01d6d520e127d984b3d6345cd8693a3cc6b754b3c3954, en de alinea staat in dat document op bytes 11506 tot 12628.